Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk IV

Artikel 255

Gemeentewet

Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2006

De in artikel 26 van de Invorderingswet bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend. Het college van burgemeester en wethouders kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te doen. § 1 Algemeen Inleiding 1 In artikel 26, eerste lid, van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijksbelastingen. In de Gemeentewet, is voorzien in bepalingen die de op grond van artikel 26 gegeven ministeriële regeling ook van toepassing verklaren voor belastingen en heffingen van gemeenten. Op grond van artikel 255, tweede lid, van de Gemeentewet volgen de gemeenten het kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Als gemeenten niets regelen geldt deze ministeriële regeling voor alle gemeentelijke belastingen. Artikel 255, derde lid, van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de ministeriële regeling af te wijken indien daartoe door de gemeenteraad een besluit is genomen. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend indien de belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon bezwaar sprake zijn indien de middelen ontbreken om een belastingaanslag te betalen. Kwijtschelding doet de schuldvordering i.c. de belastingaanslag tenietgaan ten belope van het bedrag waarvoor kwijtschelding wordt verleend. De op artikel 26 gebaseerde regels op grond waarvan aan een belastingschuldige kwijtschelding kan worden verleend, zijn vastgelegd in de regeling. In deze regeling zijn de regels van het huidige kwijtscheldingsbeleid opgenomen (artikelen 7 tot en met 28a) en is vastgelegd onder welke voorwaarden aan een belastingschuldige al dan niet kwijtschelding wordt verleend. Hiermee is voor de belastingschuldige de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd. Als hij voldoet aan de voorwaarden waaronder kwijtschelding kan worden verleend, moet hem die ook worden gegeven. Het kwijtscheldingsbeleid is geen statisch, afgerond geheel maar zal zoveel mogelijk moeten aansluiten op de maatschappelijke ontwikkelingen met inachtneming van het gevoerde rijksinkomensbeleid. Een beleidsmatige uitwerking van genoemde regels is hierna weergegeven. De artikelen 19a en 22a van de regeling zijn opgenomen voor die situaties waarin een akkoord wordt aangeboden. De artikelen strekken ertoe om de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in de belastingsfeer tot gelding te brengen. Zonder deze specifieke bepalingen die afwijken van een aantal in hoofdstuk II van de regeling opgenomen bepalingen zou het niet mogelijk zijn die doelstellingen in de praktijk te realiseren. Voor de wettelijke schuldsaneringsregeling en de verhouding tussen de artikelen 19a en 22a en de overige artikelen in hoofdstuk II van de regeling wordt verwezen § 2a, hierna. Zodra de invorderingsambtenaar blijkt van een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om bemiddeling bij een ingediend verzoek om kwijtschelding gericht tot de gemeentelijke Ombudsman, de gemeenteraad of tot het college van burgemeester en wethouders, neemt hij een overeenkomstige houding aan als tijdens de behandeling van een verzoek om kwijtschelding (zie lid 11 van deze paragraaf). De invorderingsambtenaar kan als blijk van het bestaan van zulk een verzoekschrift eisen dat hem een kopie daarvan wordt overlegd. 2 n.v.t. Ontslag van betalingsverplichting 3 Naast de mogelijkheid een belastingschuldige kwijtschelding te verlenen bestaat de mogelijkheid aan aansprakelijkgestelden ontslag van de betalingsverplichting te verlenen voor het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Deze mogelijkheid is gegrond op artikel 53, derde lid, van de wet. Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend. Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de betalingsverplichting. Deze bepaling is opgenomen omdat door het verlenen van kwijtschelding de belastingaanslag zelf ook teniet zou gaan en daarmede ook degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd van zijn verplichting tot voldoening van de belastingaanslag zou zijn bevrijd terwijl deze (wellicht) niet voor kwijtschelding in aanmerking komt. Het ontslag van de betalingsverplichting werkt uitsluitend voor de aansprakelijkgestelde wiens verzoek wordt ingewilligd. Een eventuele betalingsverplichting van andere derde-aansprakelijkgestelden blijft - als zij geen verzoek hebben ingediend - dus gehandhaafd. De hierna vermelde voorwaarden waaronder aan een belastingschuldige al dan niet kwijtschelding wordt verleend, gelden eveneens ten aanzien van de aansprakelijkgestelde derde bij de beoordeling van de vraag of ontslag van de betalingsverplichting kan worden verleend. 4 n.v.t. Kwijtschelding van reeds betaalde belastingaanslagen 5 Artikel 7 van de regeling bepaalt dat het de invorderingsambtenaar is, die op een verzoek van de belastingschuldige kwijtschelding van belastingen verleent. De mogelijkheid tot kwijtschelding beperkt zich overigens niet uitsluitend tot belastingaanslagen die nog geheel of gedeeltelijk openstaan, maar heeft ook betrekking op belastingaanslagen die reeds zijn voldaan. Voorwaarde daarbij is dat het verzoek om kwijtschelding wordt ingediend binnen drie maanden nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag heeft plaatsgevonden en de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daarom eerder had verzocht. Als aan het verzoek wordt tegemoet gekomen, wordt aan de belastingschuldige een teruggaaf verleend tot het bedrag waarvoor kwijtschelding zou zijn verleend. Welke middelen worden niet kwijtgescholden 6 In de betreffende belastingverordening kan zijn bepaald dat geen of gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend. Wanneer een belastingschuldige de invorderingsambtenaar kwijtschelding vraagt van belastingen waarvoor geen kwijtschelding wordt verleend, wordt dit door de invorderingsambtenaar meegedeeld. Toezending van een verzoekformulier kan in dat geval achterwege blijven. 7 n.v.t. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 8 Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend op een daartoe ingesteld verzoekformulier bij de invorderingsambtenaar. De formulieren zijn (op aanvraag) verkrijgbaar bij de invorderingsambtenaar. De termijn voor het indienen van een verzoek om kwijtschelding is vastgesteld op 8 weken na dagtekening van de aanslag. Verzoek niet ingediend op het daarvoor bestemde formulier 9 Een verzoek om kwijtschelding dat niet is ingediend op het daartoe bestemde formulier wordt niet als een verzoek om kwijtschelding in behandeling genomen. De stukken worden teruggestuurd naar belanghebbende met het verzoek een compleet ingevuld kwijtscheldingsformulier met bijbehorende afschriften toe te zenden. Pas na ontvangst hiervan wordt het verzoek om kwijtschelding in behandeling genomen. Aanvulling verzoek/niet ingevuld of onjuist ingevuld formulier 10 n.v.t. Houding van de invorderingsambtenaar tijdens de behandeling van het verzoek 11 Gedurende de behandeling van het verzoek om kwijtschelding worden ten aanzien van de belastingschuldige geen dwanginvorderingsmaatregelen, als bedoeld in hoofdstuk III van de wet, genomen of voortgezet ten aanzien van de belastingaanslag(en) waarvan kwijtschelding is verzocht. Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om kwijtschelding wel invorderingsmaatregelen treffen. De behandeling van het verzoek om kwijtschelding 12 De invorderingsambtenaar neemt op het ingediende verzoek om kwijtschelding een beslissing overeenkomstig het in de regeling verwoorde beleid, nadat hij kennis heeft genomen van: de in het verzoekformulier verstrekte gegevens; de (eventuele) aanvullende gegevens waarom hij heeft gevraagd; de gegevens die hem uit anderen hoofde bekend zijn. In verband hiermee raadpleegt hij ook de eventueel over eerdere jaren ingediende verzoeken om kwijtschelding. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang, die gelden op het moment van indiening daarvan, tenzij in de leidraad anders is aangegeven. Saneringsverzoeken 13 Op saneringsverzoeken dient de invorderingsambtenaar binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek te beslissen. Lukt dat niet dan dient de invorderingsambtenaar voor het einde van de zesde maand aan de belastingschuldige een kennisgeving te verzenden, waarin hij een redelijke termijn noemt, waarbinnen op het verzoek zal zijn beslist. Inhoud van de beslissing 14 In de beschikking die wordt bekendgemaakt door middel van een gedagtekende kennisgeving, kan zijn vermeld dat: kwijtschelding wordt verleend. Als in de kennisgeving wordt vermeld dat kwijtschelding zal worden verleend, wordt daarin tevens aangegeven of een deel van de schuld dan wel de gehele schuld wordt kwijtgescholden; geen kwijtschelding zal worden verleend. Als het verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden aangegeven waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij dienen alle afwijzingsgronden te worden genoemd. Niet kan worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond. Voor de motivering wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van de voor dit doel samengestelde standaardmotiveringen; kwijtschelding zal worden verleend nadat aan bepaalde voorwaarden is voldaan (bijvoorbeeld na voldoening van een deel van de belastingaanslag). Als kwijtschelding zal worden verleend nadat aan een of meer voorwaarden is voldaan, worden die voorwaarden in de beschikking opgenomen. Wanneer in de voorwaarden is opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen (bijvoorbeeld teruggaven op andere belastingaanslagen dan die waarvoor kwijtschelding zal worden verleend nadat aan een of meer voorwaarden is voldaan), wordt tevens de termijn vastgesteld gedurende welke verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving, dan wel als dit minder is de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. Behoort tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld dan moet de belastingschuldige worden uitgenodigd om binnen een termijn van tien dagen ten kantore van de invorderingsambtenaar te verschijnen om te overleggen binnen welke termijn het te betalen deel van de schuld moet worden voldaan. Hierbij is het uitstelbeleid als verwoord in artikel 25 van deze leidraad van toepassing. Behoort tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld én de verrekening van uit te betalen bedragen dan geldt het vorenstaande evenzeer met dien verstande dat de op de kwijt te schelden belastingaanslag af te boeken teruggaven het te betalen bedrag niet beïnvloeden. Mondeling meedelen beschikking 15 Om de belangen van de gemeente niet te schaden kan de beschikking op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding door de invorderingsambtenaar mondeling worden bekendgemaakt. Deze beschikking zal zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen waarbinnen de invordering niet mag worden aangevangen of voortgezet. Als het verzoek niet is ingediend op een verzoekformulier of het verzoekformulier onvolledig is ingevuld, wordt het verzoek, in afwijking van het bepaalde in de leden 9 en 10 van deze paragraaf, niet buiten behandeling gesteld, maar afgewezen. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 16 Geen kwijtschelding wordt verleend indien: de belastingschuldige in het bezit is van een eigen woning; de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist of niet op het door de invorderingsambtenaar uitgereikte formulier (zie ook punt 9 en 10) zijn verstrekt; de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen. De belastingschuldige wordt medegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat de heffingsambtenaar op grond van de alsnog verstrekte gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de invorderingsambtenaar als een eerste verzoek: een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;.voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld; er sprake is van meer dan één belastingschuldige; n.v.t. ; het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake indien: het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven; bij afwezigheid van betalingscapaciteit aan andere schuldeisers meer dan euro 136 per maand wordt voldaan. Zie overigens ook hetgeen is vermeld in paragraaf 2, lid 25, hierna; een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd; ten tijde van het invorderbaar zijn van de belastingaanslag, dan wel ten tijde van een verleend uitstel in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de belastingaanslag, voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen; n.v.t.; n.v.t.; n.v.t.; de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald; n.v.t. de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW; ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8 tweede lid, van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld; de belastingschuldige een bedrijf of een zelfstandig beroep uitoefent en ook na de totstandkoming van een akkoord met de invorderingsambtenaar en andere schuldeisers geen reële uitzichten zouden bestaan voor de voortzetting van het bedrijf of beroep; het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag en: die belastingaanslag nog niet is gevolgd door een - definitieve - belastingaanslag, als het een verzoek om kwijtschelding in de privé-sfeer betreft; door de invorderingsambtenaar nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend. Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat: binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende inkomens een hoger inkomen is te verwachten; binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te verwachten in de financiële omstandigheden; binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de voorlopige teruggaaf van de Rijksbelastingdienst, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen kwijtschel- ding kan worden verleend indien de belastingaanslag door middel van verrekening of met voldoende zekerheid binnen een jaar kan worden aangezuiverd. Vermindering van de belastingaanslag na kwijtschelding 17 Zoals in het eerste lid is opgemerkt, doet kwijtschelding de schuldvordering i.c. de belastingaanslag teniet gaan ten belope van het bedrag waarvoor kwijtschelding wordt verleend. Ten aanzien van het teniet gaan van de schuldvordering wordt een onderscheid gemaakt tussen het tenietgaan van de schuld door betaling of verrekening en het tenietgaan van de schuld door kwijtschelding. Als op een belastingaanslag betalingen hebben plaatsgevonden en die belastingaanslag wordt nadien verminderd, wordt het standpunt ingenomen dat ten aanzien van het teveel betaalde bedrag sprake is van een onverschuldigde betaling en moet het teveel betaalde bedrag aan de rechthebbende worden gerestitueerd dan wel worden verrekend. Als een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk is kwijtgescholden en die belastingaanslag wordt nadien verminderd, is geen sprake van een onverschuldigde betaling. In verband hiermee zal een vermindering op een geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden belastingaanslag niet leiden tot terugbetaling van het kwijtgescholden bedrag. 18 n.v.t. Geen verjaring 19 Schulderkenning leidt niet tot stuiting van de verjaring als bedoeld in artikel 27 van de wet. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding leidt dus niet tot stuiting van de verjaring. Wanneer stuiting van de verjaring gewenst is, dient de stuiting plaats te vinden door betekening van een akte van vervolging. § 2 Kwijtschelding van belastingen in de privé-sfeer Inleiding 1 In afdeling 2 van de regeling (artikelen 10 tot en met 19) is bepaald onder welke voorwaarden kwijtschelding kan worden verleend voor belastingaanslagen opgelegd aan natuurlijke personen die geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep uitoefenen. Het kwijtscheldingsbeleid verwoord in deze paragraaf ziet tevens op belastingaanslagen, verschuldigd door natuurlijke personen die een uitkering genieten op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, de zogenoemde Wikkers. Wanneer wordt kwijtschelding verleend 2 Wanneer de belastingschuldige niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit wordt kwijtschelding verleend voor het gehele op de belastingaanslag openstaande bedrag. Kwijtschelding wordt ook verleend voor het op de belastingaanslag openstaande bedrag dat overblijft nadat: het aanwezige vermogen is gebruikt ter voldoening van de openstaande belastingaanslag; ten minste 80% van de aanwezige betalingscapaciteit is gebruikt voor de voldoening van de belastingaanslag. Als de belastingschuldige voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden, maar kwijtschelding verzoekt voor de in artikel 8, tweede lid, van de regeling genoemde belastingen, dan wel een omstandigheid aanwezig is als bedoeld in artikel 17 of 18 van de regeling of in § 1, lid 16 hiervoor, wordt geen kwijtschelding verleend. Het begrip vermogen 3 Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen. Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. Als het verzoek wordt ingediend voor een gemeentelijke belasting, waterschapsbelasting of enige andere belasting of heffing, wordt voor 'rijksbelasting' gelezen: gemeentebelasting, waterschapsbelasting of andere belasting dan wel heffing. Artikel 3 Wwb merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt; uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander; zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als hiervoor bedoeld. Het begrip gezamenlijke huishouding leidt er voorts toe dat het vermogen van bijvoorbeeld een inwonende broer of zus bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding in aanmerking wordt genomen. De inboedel als vermogensbestanddeel 4 De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen voorzover deze bij gedwongen verkoop niet meer dan euro 2.269 bedraagt. Als de waarde van de inboedel bij gedwongen verkoop meer bedraagt dan euro 2.269 wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Uitvaartvoorziening 4a Rechten op kapitaaluitkeringen, uitsluitend bestaande uit een kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige en zijn echtgenoot worden niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, mits de uitkering is bestemd voor de verzorging van de uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot. Ook polissen die recht geven op prestaties uit levensverzekering in het kader van de verzorging van een uitvaart (zogenoemde naturapolissen) worden niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Bejaarden en vermogen 5 Personen die op 31 december 1999 65 jaar of ouder zijn kunnen over een vrijgesteld bedrag aan financiële middelen beschikken van euro 2.269 per persoon. Het vrij te laten bedrag op bank- of girorekening als bedoeld in het zevende lid van deze paragraaf, wordt niet in deze vrijstelling betrokken. De auto als vermogensbestanddeel 6 Bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding wordt de personenauto niet als vermogen in aanmerking genomen als de auto op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van euro 2.269 of minder. Wanneer de waarde van de auto meer dan euro 2.269 bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto aan een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht. Als 'waarde' wordt de prijs in aanmerking genomen die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop van een gebruikte auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als aan de invorderingsambtenaar aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit, of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden (zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald). De belastingschuldige moet de onmisbaarheid (zonodig) ná een verzoek van de invorderingsambtenaar aannemelijk kunnen maken. Het is dus niet noodzakelijk dat de belastingschuldige reeds bij de indiening van het verzoek om kwijtschelding die onmisbaarheid aannemelijk maakt. Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c van de regeling sprake is van 'die' auto. Daarmede wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts niet zijnde huisarts of behandelend specialist of een afschrift van een invalidenparkeerkaart. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut. Met betrekking tot de auto wordt nog opgemerkt dat de aanwezigheid van een auto kan leiden tot afwijzing van een verzoek om kwijtschelding op grond van de overweging dat het feit dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. Daarvan zal sprake zijn als: de auto is aangeschaft in of na het jaar waarop de belastingaanslag waarvan kwijtschelding wordt verzocht betrekking heeft, zonder dat de noodzaak tot de aanschaf ten koste van het betalen van de belastingschuld aanwezig was; de auto is ingeruild in of na het jaar waarop de belastingaanslag waarvan kwijtschelding wordt verzocht betrekking heeft en er sprake was van bijbetaling zonder dat de noodzaak hiertoe ten tijde van het betalen van de belastingschuld aanwezig was. In dit geval wordt het verzoek om kwijtschelding afgewezen voor het bedrag van de bijbetaling; het de invorderingsambtenaar duidelijk is dat de minimaal aan het bezit van een auto verbonden kosten niet uit het opgegeven inkomen kunnen worden voldaan. De belastingschuldige wordt dan in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat deze kosten wel uit het inkomen kunnen worden voldaan. Bank- en/of girosaldo en vermogen 7 Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukken- de huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies voor een ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, moeten worden voldaan over een termijn welke langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling. Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van de WSF of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de vorm van een lening, wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Een spaartegoed dat geacht mag worden te zijn verkregen in de vorm van een zodanige lening wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, voorzover het gespaarde bedrag de component lening in de studietoelage niet overschrijdt. Ook een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van een regeling voor persoonsgebonden budget wordt niet als een vermogensbestanddeel in aan merking genomen. Incidentele ontvangsten op bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel mede in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering (zie lid 15 van deze paragraaf). De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in het kader van de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt. De eigen woning als vermogensbestanddeel 8 De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. In het algemeen zal het een door de belastingschuldige zelf bewoonde woning betreffen. Voor de waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden. Het saldo van de waarde bij verkoop vrij te aanvaarden verminderd met de op de onroerende zaak rustende hypotheek is de zogenaamde overwaarde en wordt als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Het feit dat een vermogen, vastgelegd in een onroerende zaak, moeilijk liquide is te maken - in dat geval zal immers moeten worden overgegaan tot de (gedwongen) verkoop van de onroerende zaak - vormt geen aanleiding voor dit vermogensbestanddeel een ander standpunt in te nemen dan voor de overige vermogensbestanddelen. Een andersluidend standpunt zou ook niet juist zijn omdat het de belastingschuldige zelf is geweest die heeft gekozen voor de wijze waarop hij zijn vermogen vastlegt. Deze belastingschuldige kan daardoor niet in een andere positie komen te verkeren dan de belastingschuldigen die hun vermogen hebben vastgelegd op een wijze waardoor het vermogen wél op een eenvoudige(r) manier liquide kan worden gemaakt. Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de onroerende zaak zal voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen. In die gevallen kan de invorderingsambtenaar in overleg met de belastingschuldige afzien van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag op de woning. De hypotheek dient opeisbaar te zijn na het overlijden van de langstlevende of bij een eerder vrij komen van de woning. Het verlenen van een zodanig uitstel dient slechts in uitzonderlijke gevallen te worden verleend, aangezien de gemeente zich in dit kader niet als een kredietverlenende instelling behoort op te stellen. Vermogen van kinderen 9 Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen. Nalatenschappen en vermogen 10 Voor de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang. Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mede in aanmerking genomen ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken. Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze beschikking wordt bekendgemaakt. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient (zie ook hetgeen is opgemerkt in § 1, derde lid, hiervoor). Spaarsaldi als vermogensbestanddeel 11 Spaarsaldi en spaarloonsaldi worden als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met hetgeen is opgemerkt in de leden 5 en 7 van deze paragraaf. Beroepsvermogen wikker 11a Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Betalingscapaciteit 12 Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de belastingaanslag te voldoen. De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld in de periode van 12 maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld in die periode per maand te verwachten kosten van bestaan (zie lid 26 van deze paragraaf). Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Dit artikel merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van twee personen die in de zin van artikel 3 Abw een gezamenlijke huishouding voeren, zoals bijvoorbeeld een broer en een zus (zie voor de definitie het derde lid van deze paragraaf). Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of, bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto-besteedbare inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de belastingaanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Abw, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de aanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de in artikel 3 Abw bedoelde echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval (afhankelijk van de omstandigheden) het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie lid 26 hierna). Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief is, wordt volledige kwijtschelding verleend, tenzij zich een omstandigheid voordoet als vermeld in § 1, lid 16, hiervoor. Is sprake van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de regeling, dan wordt het verzoek behandeld als ware geen sprake van een schuldsaneringsregeling overeenkomstig het terzake geldende bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dat deel niet wordt beschouwd als een aflossing op schulden aan andere schuldeisers als bedoeld in artikel 17 van de regeling. Voorts wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling. Netto-besteedbaar inkomen 13 Het netto-besteedbaar inkomen wordt gevormd door: de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies, de inkomstenafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling), na de wettelijke inhoudingen; uitkeringen voor levensonderhoud ingevolge de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering); overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting en combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, een toeslag op basis van de Wet kinderopvang of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan.) met uitzondering van de uitkeringen ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen, alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229 d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag) en artikel 255 a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Ook inkomsten wegens het verstrekken van kost en inwoning of inkomsten uit kamerverhuur worden, ongeacht de daartegenoverstaande kosten, tot de overige inkomsten gerekend. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad. Netto-besteedbaar inkomen en inkomsten van inwonenden 14 Inkomsten van een inwonende worden in de berekening van het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige betrokken als deze inwonende met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Het feit dat een ouder of kind inwoont, kan dus niet leiden tot bijtelling van inkomsten. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van in gezinsverband levende echtgenoten, ongeacht hun huwelijksgoederenregime, en twee personen die een gezamenlijke huishouding voeren, mits geen bloedverwanten in de eerste graad. Het inkomen van een inwonend kind en een inwonende ouder blijft buiten beschouwing. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie. Netto-besteedbaar inkomen en vakantiegeld 15 Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gesteld op 8% van de (aan loonheffing onderworpen) inkomsten waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld. Wanneer uit het ingediende verzoekformulier blijkt dan wel de invorderingsambtenaar uit eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7% wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking genomen. Netto-besteedbaar inkomen en studiefinanciering 16 Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs ontvangen een basistoelage en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een tegemoetkoming in de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het middelbaar onderwijs ontvangen een basisbeurs en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een aanvullende beurs en een lening op grond van de WSF. De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom a van bijlage 1b van deze leidraad vermeerderd met het in kolom c betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom a. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom d van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom a en vermeerderd met het in kolom c betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom a en kolom d verhoogd met die toeslagen. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage 17 Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen. De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wèl als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dit geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage, die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar, geheel of gedeeltelijk ontbreekt. Persoonsgebonden budget 17a Bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget aan een betrokkene worden toegekend, worden niet als inkomsten betrokken bij de berekening van de betalingscapaciteit. Vergoedingen ter stimulering van arbeid 17b Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden de in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, verstrekte premies, kostenvergoedingen en vrij te laten inkomsten bedoeld ter stimulering van arbeid. Het gaat in casu om de volgende bedragen: een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.054 per kalenderjaar; een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar; een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1.500 per jaar; inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 % van deze inkomsten, met een maximum van € 1636 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. Overige inkomsten 18 Tot de overige inkomsten kunnen worden gerekend de ouderlijke bijdrage in geld die jongeren ontvangen en de (aanvullende) bijzondere bijstand voor jongeren (zie lid 17 hiervoor). Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers en de inkomsten uit kamerverhuur en onderverhuur worden tot de overige inkomsten gerekend. Zie in dit verband ook artikel 26, lid 24A, van deze leidraad. Netto-besteedbaar inkomen wikkers 18a Natuurlijke personen die een uitkering genieten op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wik-uitkering) worden voor de toepassing van het kwijtscheldingsbeleid in beginsel behandeld als particulieren. Bij kunstenaars, die in het jaar (of een deel van het jaar) voorafgaand aan het jaar waarin het verzoek om kwijtschelding wordt ingediend een Wik-uitkering hebben genoten, worden ter bepaling van het netto-besteedbaar inkomen naast die Wik-uitkering en de eventuele werkelijke inkomsten als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de regeling, zoals bijvoorbeeld looninkomsten of de onder overige inkomsten gerangschikte inkomsten uit het houden van kostgangers, ook als overige inkomsten de inkomsten uit de vrije beroepsuitoefening in aanmerking genomen. Deze laatste inkomsten worden forfaitair bepaald. Deze inkomsten worden in aanmerking genomen voor het bedrag dat blijkt uit de opgave van de in het kalenderjaar genoten inkomsten die de belastingschuldige aan het college van burgemeester en wethouders moet verstrekken ten behoeve van de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 10 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Van de kunstenaar die in het voorafgaande kalenderjaar geen Wik-uitkering heeft genoten worden de totale inkomsten - in afwijking van het hierboven genoemde - gesteld op het bedrag van de voor hem geldende bijstandsnorm, met inbegrip van de maximale toeslag. Netto-besteedbaar inkomen en de aftrekbare uitgaven 19 Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokken ter bepaling van de betalingscapaciteit, worden de inkomsten genoemd in artikel 14 van de regeling verminderd met de uitgaven genoemd in artikel 15 van de regeling. Een nadere toelichting op de aftrekbare uitgaven volgt in de leden 20 tot en met 25 van deze paragraaf. NB. Uitgaven die niet zijn genoemd in artikel 15 van de regeling kunnen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in mindering worden gebracht. Betalingen op belastingschulden 20 Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de invorderingsambtenaar niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die betalingen blijkt. De betalingen moeten betrekking hebben op reeds geformaliseerde belastingaanslagen. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de rijksinvorderingsambtenaar een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Onder betaling op belastingschulden wordt ook begrepen een betaling ter zake van de inkomstenafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet. Betreft het belastingen van lagere overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op andere gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De invorderingsambtenaar kan de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend (zie § 1, zesde lid, hiervoor). Uitgaven voor huur/hypotheekrente en erfpachtcanons 21 Aangezien de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de normuitkering van de bijstand bedraagt, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven, al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Thans is dit een bedrag van € 178,54 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 178,54: voor éénpersoonshuishoudens is dit bedrag € 176,72 en voor meerpersoonshuishoudens is dit bedrag € 174,91) tot maximaal het bedrag van de hoogste subsidiabele huur (€ 604,72 per maand voor het tijdvak 1 juli 2004 - 1 juli 2005). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt derhalve maximaal € 604,72 - € 178,54 = € 426,18. Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de belastingcapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhoging wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf) wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit zulks tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning dan wel de kamerhuur wordt betaald. De 'kost' wordt derhalve niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huurtoeslag verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Dat is het geval als: het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huurtoeslag. Huurtoeslagnormen en ouderenhuishoudens 21a In het vorige lid dient voor: a. '€ 178,54' in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: ' € 176,72' voor éénpersoonsouderenhuishoudens en '€ 174,91' voor meerpersoonsouderenhuishoudens; b. '€ 604,72 - € 178,54 = € 426,18' in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: '€ € 604,72 - € 176,72 = € 428. ' onderscheidenlijk € € 604,72 - € 174,91 = € 429,81. Uitgaven voor premies ziektekosten en zorgverzekering 22 De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering. De premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zonodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Abw of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichting 23 Uitkeringen voor levensonderhoud ingevolge de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de zogenaamde alimentatieverplichtingen) en daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage (de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een expartner vordert in de kosten van bijstand) worden bij de berekening van het netto-besteedbaar inkomen in mindering gebracht. Uitgaven in verband met aflossingen op leningen 24 Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De invorderingsambtenaar kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend. Uitgaven onderverhuur dan wel kamerverhuur en het houden van kostgangers 24a Is sprake van onderverhuur dan wel kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder dan wel kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur dan wel kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair euro 243 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld. Betalingen aan andere schuldeisers 25 Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de brutobetaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in punt 24. Hoewel de aflossingen aan andere crediteuren bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in aanmerking worden genomen, kunnen die aflossingen wel van invloed zijn op de vraag of al dan niet kwijtschelding moet worden verleend. Ten aanzien van de aflossing aan andere crediteuren in samenhang met de betalingscapaciteit geldt het navolgende: als geen betalingscapaciteit aanwezig is, wordt behoudens in de gevallen genoemd in § 1, lid 16, hiervoor, kwijtschelding verleend wanneer aan de andere crediteuren niet meer dan euro 136 per maand wordt betaald; als geen betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan euro 136 per maand bedraagt, wordt het verzoek om kwijtschelding in beginsel afgewezen. De invorderingsambtenaar moet in dat geval de betrokken belastingschuldige eerst in de gelegenheid stellen schriftelijk een nadere toelichting te geven op het feit dat hij, ondanks het ontbreken van enige betalingscapaciteit, niettemin kans ziet aan andere schuldeisers meer dan euro 136 per maand te voldoen. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal de nadere toelichting van de belastingschuldige aanleiding geven tot het nemen van een beslissing welke afwijkt van het hiervoor genoemde beleid. Om te voorkomen dat bij de belastingschuldige al te positieve verwachtingen worden gewekt, moet deze, als hij in de gelegenheid wordt gesteld tot het geven van een nadere toelichting, worden gewezen op het feit dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden van het geldende beleid wordt afgeweken zie bijlage If. Dit laat onverlet toepassing van de schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna; als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing aan andere crediteuren bedraagt minder dan euro 136 per maand, moet de aanwezige gedeeltelijke betalingscapaciteit worden gebruikt ter voldoening van de openstaande schuld. Het deel van de belastingaanslag dat daarna onbetaald is gebleven kan worden kwijtgescholden; als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan euro 136 per maand bedraagt, vindt kwijtschelding uitsluitend plaats in het kader van een schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna. Normbedragen voor bestaanskosten 26 Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld kunnen de kosten van bestaan daarop in mindering worden gebracht ter bepaling van de betalingscapaciteit. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van het feitelijke inkomen (het gezamenlijke bedrag van de in artikel 14 van de regeling genoemde inkomstenbestanddelen) met als maximum 90% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende maximale bijstandsnorm en als minimum 90% van de voor dat huishoudtype geldende minimale bijstandsnorm. Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen. Op deze ouderennormen is het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid niet van toepassing. Dit betekent dat echtparen en alleenstaanden, die inwonen bij hun kinderen, dan wel inwonende kinderen hebben, onafhankelijk van het inkomen dan wel de bijdragen van die kinderen de volledige norm ontvangen. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende ouderennormen. De voor de kwijtschelding van belang zijnde huishoudtypen die de bijstand onderkent zijn echtgenoten, een alleenstaande ouder en een alleenstaande en de 'ouderen' volgens de zogenaamde ouderennormen. Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is dat minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25 tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). De minimum- en maximum-kwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandnormen zoals die vanaf thans en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor 'ouderen' gelden, zijn: voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum euro 865 en maximum euro 1.082; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: euro 1.136; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: euro 1.136. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf; voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum euro 757 en maximum euro 973; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: euro 1.020. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is; voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum euro 541 en maximum euro 757; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is euro 780. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. NB: Onder 'kind' wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind. Onder 'ten laste komend kind' wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak kan maken op kinderbijslag. Voorbeelden Voorbeeld 1 X is een alleenstaande, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (ná de gebruikelijke inhoudingen) is € 865. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 775. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 865 en bedraagt dus € 779. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 757. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 757. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 775 minus € 757 = € 18 x 80% = € 14. Voorbeeld 2 Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 973 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 757. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil. Voorbeeld 3 X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 700. Het netto- besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 729 en bedraagt derhalve € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 865. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 865. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 830 = nihil. Verblijf in inrichting 26a Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met: voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: euro 179, verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 51; voor gehuwden: euro 278, verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 73. Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden. Buitenlandse belastingschuldigen 27 Bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding die zijn ingediend door belastingschuldigen die in het buitenland verblijven, gelden dezelfde normbedragen als voor belastingschuldigen die hier te lande verblijven. Onderhoud gezinsleden in het buitenland 28 De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland achtergebleven echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Abw. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse belastingschuldige aan zijn bloed of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening gehouden. Betalingscapaciteit niet volledig opgeëist 29 Het bedrag dat overblijft nadat het netto-besteedbaar inkomen is verminderd met het normbedrag voor de kosten van het bestaan is de betalingscapaciteit op basis van het inkomen (zie lid 12 van deze paragraaf). Bij de beoordeling van de vraag tot welk bedrag kwijtschelding moet worden verleend, wordt niet de volledige betalingscapaciteit in aanmerking genomen. Om belastingschuldige de gelegenheid te bieden plotseling optredende kosten te kunnen betalen, zoals bijvoorbeeld de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen wordt voor de bepaling van het kwijt te schelden bedrag volstaan met het opeisen van 80% van de betalingscapaciteit. § 2a Wettelijke schuldsaneringsregeling en (buiten)gerechtelijk akkoord Begripsbepalingen 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling zoals bedoeld in artikel 26, § 3 van deze leidraad en de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad; aangeboden akkoord: een akkoord dat wordt aangeboden om te komen tot een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling; gerechtelijk akkoord: het akkoord als bedoeld in de artikelen 19a, tweede lid en 22a, tweede lid, van de regeling; dwangakkoord: een akkoord, als gevolg waarvan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt, waaraan de invorderingsambtenaar is gebonden, doch waarmee hij niet heeft ingestemd; saneringsplan: een door de rechter op grond van titel III afdeling 7 van de Faillissementswet vastgesteld plan in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Algemeen 2 Met de WSNP wordt bereikt dat een natuurlijk persoon, waarvan redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, niet tot in lengte van jaren door zijn schuldeisers achtervolgd kan worden. Uitgangspunt is namelijk de 'schone lei'. Voor het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling is niet vereist dat gedurende de looptijd van de regeling een bepaald minimumbedrag aan de schuldeisers kan worden uitgekeerd. Het is dus mogelijk dat de schuldeisers niets of vrijwel niets op hun vorderingen ontvangen. Wel moet de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning leveren om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De wettelijke schuldsaneringsregeling kan van toepassing worden verklaard op zowel natuurlijke personen die geen onderneming drijven als op natuurlijke personen die wel een onderneming drijven. Het gaat daarbij dus om natuurlijke personen met een eenmanszaak, zij die in een maatschap een zelfstandig beroep uitoefenen of zij die (beherend) vennoot zijn in een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. De WSNP beoogt in belangrijke mate de bereidheid van schuldeisers tot het treffen van een buitengerechtelijk akkoord te bevorderen. De WSNP bevat namelijk bepalingen die door schuldeisers als ongunstig zullen worden ervaren: vérgaande bevoegdheden van de rechter: de rechter kan een saneringsplan vaststellen zonder instemming van de schuldeisers (ook de bevoorrechte); de rechter-commissaris heeft onder omstandigheden de bevoegdheid om een aangeboden akkoord dat door de schuldeisers is verworpen toch bindend vast te stellen; er treedt een moratorium in werking in die zin dat schuldeisers - de separatisten uitgezonderd - geen verhaal meer kunnen zoeken voor vorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling ziet (gelegde beslagen vervallen zodra de uitspraak houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan); naast de bevoorrechte schuldeisers ontvangen ook de concurrente schuldeisers een uitkering. De artikelen 19a en 22a van de regeling, waarin bepalingen zijn opgenomen voor die situaties waarin een akkoord wordt aangeboden, strekken ertoe de doelstellingen van de WSNP, namelijk het zoveel mogelijk treffen van buitengerechtelijke akkoorden, ook voor de belastingschulden te laten gelden. De bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het ontslag van de betalingsverplichting van een aansprakelijk gestelde. Opgemerkt wordt dat als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord kan worden getoetst aan het terzake geldende beleid ingevolge artikel 19a of artikel 22a van de regeling, als de schuldenaar daarom uitdrukkelijk verzoekt. Verwezen wordt in dit verband naar hoofdstuk XI, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Gevolgen wettelijke schuldsaneringsregeling 3 Belastingvorderingen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt en voorzover die na beëindiging van de toepassing van die regeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, worden niet kwijtgescholden, maar worden aangemerkt als natuurlijke verbintenissen. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis. Aansprakelijkheid Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen lopende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is mogelijk. Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen derden nog aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onbetaald gebleven belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt en kunnen reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures worden voortgezet. Verrekening Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen worden verrekend met de tot een natuurlijke verbintenis gereduceerde vorderingen. Boedelschuldeisers Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden in beginsel aangemerkt als boedelschulden. De wettelijke schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van de vorderingen van de boedelschuldeisers. Boedelschuldeisers moeten uit de boedel worden betaald. De invorderingsambtenaar ziet erop toe dat de boedelschulden tijdig door de bewindvoerder worden voldaan. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk. De boedelschuldeisers die niet uit de boedel voldaan kunnen worden, behouden na afloop van de toepassing van de regeling een volledig afdwingbare vordering op de schuldenaar. De invorderingsambtenaar kan tijdens de wettelijke schuldensaneringsregeling in het kader van de invordering van boedelschulden niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen. Schuldsaneringsregelingen van de invorderingsambtenaar 4 De schuldsaneringsregelingen van de invorderingsambtenaar voor particulieren en ex-ondernemers (artikel 26, § 3 van deze leidraad) en ondernemers (de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad) blijven van kracht voor die gevallen waarin een buitengerechtelijk akkoord op grond van artikel 19a of artikel 22a van de regeling dan wel toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet mogelijk is. Te denken valt in dit verband aan de situatie waarin een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen (artikel 288 FW, zie hierna). De schuldsaneringsregeling van de invorderingsambtenaar voor ondernemers blijft overigens in ieder geval van toepassing op ondernemers/niet-natuurlijke personen (B.V.'s, maar ook eenmans-B.V.'s). Buitengerechtelijk akkoord alleen in die gevallen waarin redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard 5 De invorderingsambtenaar zal alleen tot een buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de invorderingsambtenaar er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, welk artikel de weigeringsgronden voor de rechter bevat ten aanzien van een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze zijn: imperatieve afwijzingsgronden Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wanneer: de schuldenaar in staat geacht wordt te kunnen voortgaan met betalen; er gegronde vrees is dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de regeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Dit kan worden getoetst aan het door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag. Heeft de schuldenaar getracht goederen aan het verhaal van zijn schuldeisers te onttrekken (door verbergen of vervreemden) of voortdurend getracht zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, dan zou deze afwijzingsgrond aan de orde kunnen zijn; de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is. facultatieve afwijzingsgronden Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen wanneer: de schuldenaar binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend in staat van faillissement heeft verkeerd of wanneer na 1 december 1998 binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is geweest; aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde 'goede trouw' houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar is meer een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. De invorderingsambtenaar zal in een concreet geval aan de hand van deze gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de invorderingsambtenaar daarbij helpen. Een 'vertaling' van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief): kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie; is er gegronde vrees voor benadeling van de gemeente of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten (buiten)gerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aangifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland et cetera); is de belastingschuldige in het verleden al failliet geweest of is de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing geweest; is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden/ frustreren dan wel pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid dat het zover is gekomen (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen). Situaties artikel 19a van de regeling 6 In artikel 19a van de regeling zijn met betrekking tot particulieren twee situaties geregeld waarin sprake is van een buitengerechtelijk akkoord. De eerste situatie, uitgewerkt in het eerste lid, is die waarin, nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, toch nog een akkoord aan de schuldeisers wordt aangeboden. De tweede situatie, geregeld in het tweede lid, heeft betrekking op een akkoord dat wordt aangeboden in geval dat er geen of nog geen sprake is van een door de rechter (al dan niet voorlopig) uit te spreken wettelijke schuldsaneringsregeling. Het gaat hierbij om de gevallen waarin, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, de belastingschuldige in een situatie verkeert waarin hij in aanmerking komt voor de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Onder de in artikel 19a, tweede lid, van de regeling opgenomen zinsnede 'afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten' dient tevens te worden begrepen de overlegging van de in artikel 285, eerste lid, onder e, FW bedoelde verklaring die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar moet worden afgegeven omtrent de financiële positie van de schuldenaar. Mocht uit die verklaring blijken dat de belastingschuldige niet beschikt over enige aflossingsmogelijkheid dan heeft de rechter de bevoegdheid de wettelijke schuldsaneringsregeling zonder verificatievergadering na een jaar te beëindigden. Deze bepaling houdt dus in dat in dit soort gevallen de belastingschuldige na een jaar al een 'schone lei' kan krijgen, zonder dat er enigerlei uitkering is gedaan. Situaties artikel 22a van de regeling 7 Artikel 22a voorziet in een overeenkomstige toepassing van artikel 19a op ondernemers -natuurlijke personen. Begrip belastingschuld 8 Bij de beoordeling van het buitengerechtelijk akkoord moet allereerst worden vastgesteld wat de hoogte is van de belastingschuld dan wel op welke belastingaanslagen het buitengerechtelijk akkoord ziet. Belastingschulden van minder dan € 250 worden niet in het akkoord opgenomen. Uitgangspunt zal daarbij moeten zijn de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling) dan wel de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Er rust een inspanningsverplichting op de invorderingsambtenaar om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen in die zin dat de invorderingsambtenaar zo snel mogelijk de nog materieel verschuldigde belasting tot aan het moment waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, dan wel tot aan het moment waarop vorenbedoeld akkoord is aangeboden, dient te formaliseren. Belastingschulden die materieel zijn ontstaan na uitspraak van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel zijn ontstaan na aanbieding van vorenbedoeld akkoord, vallen dus niet onder het buitengerechtelijk akkoord. Van deze belastingschulden zal na formalisering integrale voldoening worden geëist. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord 9 De inhoud van een akkoord, niet zijnde een dwangakkoord, wordt door de wilsovereenstemming tussen de onderhandelende partijen bepaald en kan van alles behelzen. Echter de invorderingsambtenaar verleent uitsluitend zijn medewerking aan een dergelijk akkoord als aan de volgende voorwaarden is voldaan: De invorderingsambtenaar dient in het kader van een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als schuldeiser op vorderingen ten minste een gelijk percentage te ontvangen van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vorderingen krijgen uitgekeerd en het te ontvangen bedrag dient ten minste dezelfde omvang te hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Er moet een reële verwachting zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de fiscale verplichtingen na te komen die ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling), dan wel die ontstaan nadat een akkoord om een buitengerechtelijk akkoord te bewerkstelligen is aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). De invorderingsambtenaar mag niet worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers voor wat betreft de omvang van het te ontvangen percentage en het tempo van uitbetaling daarvan. De invorderingsambtenaar dient er naar te streven dat in het kader van een buitengerechtelijk akkoord betaling ineens plaatsvindt. Wanneer echter in een uitzonderingssituatie betaling in termijnen is overeengekomen, dient de invorderingsambtenaar zoveel als mogelijk is zekerheid te eisen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Opgemerkt wordt dat indien in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zullen worden begrepen waarvoor derden aansprakelijk zijn of kunnen worden gesteld, in de voorwaarden waaronder het buitengerechtelijk akkoord wordt gesloten, dient te worden opgenomen dat de kwijtschelding pas zal worden geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer door de invorderingsambtenaar kunnen worden verkregen. De invorderingsambtenaar kan overigens van opneming van een zodanige voorwaarde afzien. In dat geval zal hij echter in het bedrag dat hij in het kader van het buitengerechtelijk akkoord zal eisen, deze eventuele baten in het kader van de aansprakelijkheid tot uitdrukking moeten laten komen. Ten minste gelijk percentage van hetgeen aan concurrenten wordt uitgekeerd 10 Gelet op de doelstellingen van de WSNP dient de invorderingsambtenaar aan de totstandkoming van een buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de regeling mee te werken indien hij naar redelijke verwachting daarmee hetzelfde resultaat kan boeken als het geval zou zijn indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou uitmonden in een door de rechter vastgesteld saneringsplan. In laatstbedoeld geval zou hij een gelijk percentage op zijn vorderingen uitgekeerd krijgen als aan de concurrente schuldeisers zou worden uitbetaald. Dit is dan ook een van de voorwaarden die de invorderingsambtenaar stelt in het geval een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden. Het te ontvangen bedrag moet ten minste dezelfde omvang hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt 11 Een volgende voorwaarde voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord is dat het te ontvangen bedrag ten minste dezelfde omvang moet hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Deze voorwaarde kan met name van belang zijn in die situaties waarin sprake is van verpande zaken van de belastingschuldige waarop het bodemvoorrecht van de rijksinvorderingsambtenaar (artikel 21, tweede lid, van de wet) van toepassing is. Artikel 21 mist echter toepassing voor gemeentelijke belastingen. Lopende verplichtingen bijhouden 12 Tevens een voorwaarde om toe te treden tot een buitengerechtelijk akkoord is dat er reële vooruitzichten dienen te zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de lopende verplichtingen tijdig na te komen. Het gaat in casu dan om (materiële) belastingschuld ontstaan na de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel ontstaan na de aanbieding van een akkoord ter bewerkstelliging van een buitengerechtelijk akkoord. In tegenstelling tot de wettelijke schuldsaneringsregeling komt bij het buitengerechtelijk akkoord de liquidatie van het ondernemingsvermogen niet aan de orde. Na de totstandkoming van het buitengerechtelijk akkoord moet de onderneming echter weer voldoende levensvatbaar zijn. Wanneer is te voorzien dat de belastingschuldige de lopende verplichtingen niet zal kunnen nakomen, kan ook worden getwijfeld aan de levensvatbaarheid van het bedrijf. De invorderingsambtenaar zal in dat geval niet zijn medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord verlenen. Invorderingsambtenaar mag niet worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers 13 Een van de voorwaarden om toe te treden tot een buitengerechtelijk akkoord is voorts dat de invorderingsambtenaar noch in omvang noch in tempo van uitbetaling van het door hem te ontvangen percentage mag worden benadeeld ten opzichte van andere crediteuren. In deze eis ligt ook besloten dat, mocht zich niettemin toch achterstelling van de invorderingsambtenaar voordoen ten opzichte van een of meer andere schuldeisers in de omvang of het tempo van uitbetaling, dit voor de invorderingsambtenaar aanleiding zal zijn zijn medewerking aan een aangeboden akkoord te beëindigden. Buiten toepassing laten van enkele artikelen van de regeling 14 Bij de toepassing van artikel 19a blijven de bepalingen in artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, van de regeling buiten toepassing. Voor het overige zijn de in Titel III FW geregelde waarborgen, waaronder de in dat verband aan de rechter en bewindvoerder toegekende bevoegdheden, mede van toepassing ter bescherming van de belangen van de fiscus. Deze vervangen als het ware de ter bescherming van de belangen van de fiscus dienende bepalingen in de voormelde onderdelen van artikel 8, eerste lid, van de regeling. Voorts blijven buiten toepassing artikel 8, tweede lid, van de regeling en de artikelen 10 tot en met 19. Een en ander houdt in dat het feit dat: het aan de belastingschuldige is toe te rekenen dat een belastingaanslag niet kan worden voldaan; de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen; het verzoek wordt gedaan voor een voorlopige aanslag die nog niet is gevolgd door de aanslag; niet aan eventueel door de invorderingsambtenaar gestelde voorwaarden is voldaan, géén belemmering mag vormen voor de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid van de regeling. En voorts dat: de eis dat het te ontvangen deel van de belastingschuld ten minste gelijk dient te zijn aan het bedrag dat binnen een jaar kan worden verkregen door middel van invorderingsmaatregelen en ten minste gelijk dient te zijn aan de betalingscapaciteit niet meer kan worden gesteld; de voorwaarde dat gelden door derden ter beschikking dienen te worden gesteld, niet meer kan worden gemaakt; de uitsluitingen genoemd in artikel 26, § 1 lid 16, van deze leidraad niet meer gelden. Bij de toepassing van artikel 22a blijven eveneens de bepalingen in artikel 8, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, en tweede lid, van de regeling buiten toepassing. Voorts blijven buiten toepassing de artikelen 20 tot en met 22 van de regeling. Dit houdt tevens in dat: ·het voorbehoud dat aan een buitengerechtelijk akkoord wordt deelgenomen als er geen mogelijkheid is (een) derde(n) aansprakelijk te stellen niet meer kan worden gemaakt. Bestuurlijke boeten, rente en kosten 15 Bestuurlijke boeten, rente en kosten dienen integraal in het buitengerechtelijk akkoord te worden betrokken. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 16 De gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord zijn de volgende: een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde beslagen. De beslagen worden opgeheven zodra de invorderingsambtenaar hetgeen hij op grond van het buitengerechtelijk akkoord heeft gevorderd, heeft ontvangen; verrekening van een belastingteruggave ten name van de belastingschuldige is niet meer mogelijk, zodra de schuld is kwijtgescholden. Gevolgen schuldregeling 16a Indien de invorderingsambtenaar uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de schuldregeling in de zin van artikel 25, § 13A, van deze leidraad wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling, waarin gesteld wordt dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan, aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling. Dit akkoord is voor inwilliging vatbaar indien is gebleken dat: de schuldenaar aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst tot schuldregeling heeft voldaan; aan de in artikel 19a van de regeling gestelde voorwaarden is voldaan. In dit verband worden betalingen die hebben plaatsgevonden nadat het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, geacht onderdeel uit te maken van het te ontvangen deel van de belastingschuld of de belastingschulden. Verrekening van teruggaven maken geen deel uit van het te ontvangen deel van de belastingschuld of de belastingschulden. Gevolgen dwangakkoord 17 Indien sprake is van een dwangakkoord verleent de invorderingsambtenaar geen kwijtschelding, maar blijven de belastingvorderingen die resteren na het akkoord als natuurlijke verbintenissen over. Op die verbintenissen is artikel 160 FW, van overeenkomstige toepassing. § 3 Schuldenregeling voor particulieren en ex-ondernemers Voorwaarden tot deelname aan een regeling 1 Als een particulier of een ex-ondernemer, anders dan in het kader van sanering van bedrijfsschulden als bedoeld in afdeling 3 van de regeling, ten behoeve van een financiële sanering aan alle schuldeisers een gedeeltelijke betaling van hun vordering aanbiedt tegen algehele kwijting is de gemeente in beginsel bereid aan de totstandkoming van een schuldenregeling medewerking te verlenen. Een belastingschuldige wordt in het kader van deze schuldenregeling als ex-ondernemer beschouwd als uit de feitelijke omstandigheden is komen vast te staan dat het ondernemerschap daadwerkelijk is beëindigd èn aannemelijk is dat de belastingschuldige in de toekomst geen bedrijf of zelfstandig beroep meer zal uitoefenen. Met inachtneming van hetgeen is bepaald in § 1, zesde lid en lid 16, hiervoor, kan medewerking van de invorderingsambtenaar aan een schuldenregeling slechts geschieden als: het te ontvangen deel van de belastingschuld: ten minste gelijk is aan het bedrag hetgeen aan concurrente schuldeisers op hun vordering zal worden uitgekeerd; ten minste gelijk is aan het bedrag dat binnen een jaar kan worden verkregen door middel van invorderingsmaatregelen en ten minste gelijk is aan de betalingscapaciteit; de invorderingsambtenaar noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt achtergesteld bij concurrente schuldeisers; de belastingschuldige na de sanering in staat is om zijn nieuwe verplichtingen na te komen; Begrip belastingschuld 2 Bij de aanbieding van de aangeboden schuldenregeling moet worden vastgesteld wat de hoogte van de schuld is dan wel voor welke belastingaanslagen de schuldenregeling wordt aangeboden. Uitgangspunt is de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek. Bij de behandeling van de aangeboden schuldenregeling is het de taak van de belastingschuldige ervoor te zorgen dat de formele schuld zo nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële belastingschuld. Aanslagen die opkomen tijdens de behandelingsduur van het verzoek worden mede in de beoordeling betrokken. Op grond van het vorenstaande wordt ten aanzien van geformaliseerde belastingaanslagen ná de sanering in beginsel de integrale voldoening geëist. Voor de vraag hoe moet worden gehandeld nadat op kwijtgescholden belastingaanslagen alsnog verminderingen zijn verleend, wordt verwezen naar § 1, leden 17 en 18, hiervoor. 3 n.v.t. Opbrengst ten minste gelijk aan datgene wat bij invorderingsmaatregelen kan worden verkregen en aan de betalingscapaciteit 4 De invorderingsambtenaar zal, met inachtneming van hetgeen in § 2, hiervoor, is bepaald over vermogen, pas medewerking verlenen aan de totstandkoming van de schuldenregeling indien: gelden door derden ter beschikking worden gesteld, bijvoorbeeld door middel van leningen, èn het ter beschikking gestelde bedrag ten minste gelijk is aan het bedrag dat binnen een jaar ten laste van de belastingschuldige op andere wijze kan worden ingevorderd en ten minste gelijk is aan de door de gemeente berekende betalingscapaciteit. De invorderingsambtenaar niet achterstellen bij concurrente schuldeisers 5 De invorderingsambtenaar mag bij een schuldenregeling niet in uitkeringspercentage worden achtergesteld bij concurrente schuldeisers. Evenmin mag de invorderingsambtenaar in tempo van betaling worden achtergesteld bij enige andere schuldeiser. Na schuldenregeling nieuwe fiscale verplichtingen nakomen 6 De schuldenregeling moet er toe leiden dat de belastingschuldige na het saneren van de schulden in staat is te voldoen aan de fiscale verplichtingen, waaronder mede wordt verstaan het voldoen van de toekomstige belastingschulden. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen 7 Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór het tijdstip van de sanering worden niet uitbetaald maar verrekend. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken ná de sanering worden in de regel niet verrekend maar aan de belastingschuldige ter beschikking gesteld. In verband met het vorenstaande moet tijdens de behandeling van het aanbod tot een regeling worden nagegaan of er nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten. Uit te betalen bedragen die door cessie of verpanding niet voor verrekening in aanmerking komen, worden uiteraard niet op de openstaande belastingschuld in mindering gebracht. Wanneer de invorderingsambtenaar een aanbod tot een regeling accepteert en vaststaat dat ten name van de belastingschuldge nog uit te betalen bedragen zullen volgen, vermeldt de invorderingsambtenaar bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Tevens vermeldt hij op welke belastingaanslagen de te verwachten uit te betalen bedragen zullen worden afgeboekt. Voor de belastingaanslagen wordt - tot het bedrag van de verwachten uit te betalen bedragen - geen kwijtschelding verleend. Wanneer de invorderingsambtenaar het aanbod tot een regeling accepteert maar nog niet definitief vaststaat of en tot welke bedragen uitbetaling is te verwachten, vermeldt de invorderingsambtenaar bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Hij vermeldt tevens dat de (vermoedelijke) uit te betalen bedragen niet zullen worden uitbetaald maar zullen worden verrekend met de onbetaald gebleven schuld. Voor de belastingaanslagen waarmee de vermoedelijke uit te betalen bedragen zullen worden verrekend, wordt geen kwijtschelding verleend. De belastingschuldige wordt toegezegd dat voor die belasting aanslagen geen verdere invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen. Als in een situatie waarin nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten alle aanslagen worden kwijtgescholden, kan in een later stadium geen verrekening plaatsvinden omdat kwijtschelding de schuldvordering i.c. de belastingaanslag teniet doet gaan ten belope van het bedrag waarvoor kwijtschelding is verleend. Met betrekking tot verminderingen op de belastingaanslagen waarvoor kwijtschelding is verleend, wordt verwezen naar § 1, leden 17 en 18, hiervoor. Bestuurlijke boeten 8 Bestuurlijke boeten dienen ook integraal in het akkoord te worden betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna wordt het akkoord-percentage toegepast op de belastingschuld èn op de bestuurlijke boete. Rente en kosten 9 Ook rente en kosten worden integraal in de schuldenregeling betrokken. Het op basis van de schuldenregeling betaalde bedrag wordt in afwijking van artikel 7 van de wet volledig afgeboekt op de hoofdsom. Hiermee worden de gevolgen van de fiscale aftrekbaarheid van de rente voorkomen. In de beschikking dat tot de schuldenregeling wordt toegetreden, wordt tevens mededeling gedaan van het feit dat het op grond van de schuldenregeling te betalen bedrag zal worden afgeboekt in afwijking van artikel 7 van de wet. § 4 Kwijtschelding van belastingen in de zakelijke sfeer n.v.t. § 5 Kwijtschelding na staking bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening Ex-ondernemers 1 Als een verzoek om kwijtschelding wordt gedaan door een natuurlijk persoon die zijn bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening heeft gestaakt en aannemelijk is dat die belastingschuldige in de toekomst geen bedrijf of zelfstandig beroep meer zal uitoefenen, wordt het verzoek om kwijtschelding behandeld overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2 van de regeling en de aanwijzingen die zijn opgenomen in de paragrafen 2 en 3, hiervoor. Tot het beëindigd zijn van een bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening behoort ook de vereffening van het bedrijfsvermogen, het opmaken van een liquidatiebalans en een vermogensopstelling. Het vorenstaande houdt in dat wanneer (een deel van) het bedrijfsvermogen nog aanwezig is, geen sprake is van een ex-ondernemer. In dat geval zal het verzoek om kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3 van de regeling en zal het nog aanwezige bedrijfsvermogen geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen. Als de ex-ondernemer een rechtspersoon is, wordt geen kwijtschelding verleend. De invorderingsambtenaar kan echter altijd met de belastingschuldige/ex-ondernemer overleg plegen als de ontbinding én liquidatie van de rechtspersoon worden nagestreefd. § 6 Administratief beroep Administratief beroep tegen de beschikking van de invorderingsambtenaar 1 Wanneer de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de invorderingsambtenaar op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd beroepschrift richten tot het college van burgemeester en wethouders. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar. Een beroepschrift dat is ingediend bij het college van burgemeester en wethouders wordt om advies aan de invorderingsambtenaar toegezonden. In verband met het aan het college van burgemeester en wethouders uit te brengen advies zendt de invorderingsambtenaar zonodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige toe. Na behandeling door de invorderingsambtenaar wordt het beroepschrift met advies van de invorderingsambtenaar aan het college van burgemeester en wethouders doorgezonden dan wel retourgezonden. Als het nader toegezonden verzoekformulier niet wordt terugontvangen, stelt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als hieraan geen gevolg wordt gegeven. wordt niet aan het beroepschrift tegemoet gekomen. Het college van burgemeester en wethouders maakt de beslissing op het ingediende beroepschrift bekend aan de belastingschuldige. Herhaald verzoek om kwijtschelding 2 n.v.t. Beroepfase en Awb 3 De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt tien dagen. Met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De invorderingsambtenaar wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. Het college van burgemeester en wethouders dient op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging. In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep, de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter getoetst - beleid. Welke gegevens en normen 4 Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschel- ding, wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek alsmede van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de te verwachten betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de ontvangen huurtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats indien in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek 5 Wanneer een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat 10 dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Wordt binnen de termijn van 10 dagen een beroepschrift ingediend dan wordt gedurende behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9. Indiening van het beroepschrift na de termijn van 10 dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt niet weg dat, indien het belang van de invordering zich daartegen niet verzet, van het college van burgemeester en wethouders mag worden verwacht dat alsnog ambtshalve de in het beroepschrift aangedragen grieven op hun merites worden beoordeeld. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Wanneer het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet hangt af van de omstandigheden van het geval. Hiervan is echter in ieder geval sprake wanneer inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen. Niet tijdig nemen van een besluit 6 Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de invorderingsambtenaar op een verzoek om kwijtschelding kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat kwijtschelding had moeten worden verleend, dan behoeft het college van burgemeester en wethouders niet te volstaan met de uitspraak dat de invorderingsambtenaar niet tijdig heeft beslist, maar kan het college op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. § 7 Voortzetting van de invordering Voortzetting van de invordering na afwijzing 1 Wanneer de invorderingsambtenaar bij beschikking afwijzend heeft beslist op een ingediend verzoek om kwijtschelding of een aangeboden akkoord, dan wel het college van burgemeester en wethouders afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de invorderingsambtenaar, moet het op de belastingaanslag( en) verschuldigde bedrag binnen 10 dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de op het aanslagbiljet aangegeven betaaltermijnen worden voldaan. Na deze termijn kan de invordering worden aangevangen dan wel voortgezet. De termijn van 10 dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet. § 8 Niet verder bemoeilijken Inleiding 1 Wanneer een belastingschuldige de invorderingsambtenaar verzoekt om kwijtschelding van zijn openstaande belastingaanslagen, zal de invorderingsambtenaar eerst bezien of de belastingschuldige op grond van de voorwaarden genoemd in de regeling voor kwijtschelding in aanmerking komt. Wanneer de invorderingsambtenaar tot de conclusie komt dat de belastingschuldige niet voor kwijtschelding in aanmerking komt, maar dat voortzetting van de invordering niet gewenst is, wijst hij het verzoek om kwijtschelding bij beschikking af en kan alsdan tevens in de beschikking opnemen in hoeverre de belastingschuldige niet verder zal worden bemoeilijkt. In de beschikking wordt overigens niet gesproken van het niet verder bemoeilijken, maar over het niet meer treffen van invorderingsmaatregelen. [1] Als de invorderingsambtenaar besluit de belastingschuldige niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld, zonder dat de invorderingsambtenaar daaraan voorwaarden verbindt, heeft dit voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding. De invorderingsambtenaar kan ook besluiten de belastingschuldige niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel als dit is de tijd welke nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. Deze verrekeningsvoorwaarde wordt uitdrukkelijk in de beschikking van de invorderingsambtenaar opgenomen. Als de invorderingsambtenaar besluit de belastingschuldige voorhands niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld zal hij voorwaarden stellen. Wanneer de belastingschuldige die voorwaarden niet nakomt, kan de invorderingsambtenaar zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken. Anders dan kwijtschelding is een toezegging onder voorwaarden herroepelijk. De meest voorkomende voorwaarden/situaties waarin de invorderingsambtenaar besluit tot het (voorlopig) achterwege laten van de invordering, zijn: er mag in een bepaald tijdvak geen nieuwe betalingsachterstand ontstaan. Nieuwe belastingaanslagen moeten dus binnen de gestelde termijnen worden voldaan; andere verplichtingen zoals bijvoorbeeld het tijdig indienen van aangiften moeten worden bijgehouden; de financiële situatie van de belastingschuldige is niet geheel duidelijk; er dreigt een faillissement. In dat geval moet de invorderingsambtenaar bij de curator alsnog een vordering kunnen indienen; de financiële positie van de belastingschuldige zal waarschijnlijk binnen afzienbare tijd verbeteren. 2 n.v.t. 2a n.v.t. 3 n.v.t. Administratief beroep 4 Zoals uit het eerste lid van deze paragraaf blijkt, maakt de toezegging dat ten aanzien van de belastingschuldige, eventueel onder het stellen van voorwaarden, geen invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen, onderdeel uit van de kwijtscheldingsbeschikking. Dit laatste betekent dat tegen deze beschikking beroep open staat bij het college van burgemeester en wethouders. § 8a n.v.t. § 9 n.v.t.Artikel 27 Naar de inhoud Het recht tot dwanginvordering alsmede het recht tot verrekening met betrekking tot een belastingaanslag verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die aanslag geheel invorderbaar is dan wel, indien zulks tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die aanslag aan de belastingschuldige is betekend. De verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na de aanvang van die termijn: de belastingschuldige uitstel van betaling heeft; de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt; de belastingschuldige surséance van betaling heeft; de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert. ten aanzien van de belastingschuldige schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is. § 1 Verjaring Algemeen 1 Artikel 27 bepaalt dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die belastingaanslag geheel invorderbaar is dan wel, als dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die aanslag aan de belastingschuldige is betekend. Het tweede lid van dit artikel bepaalt limitatief in welke gevallen de verjaring wordt geschorst. Alhoewel artikel 27 invordering door middel van een dagvaarding na verloop van de in dat artikel genoemde termijn onverlet laat, wordt van deze mogelijkheid nooit gebruik gemaakt wanneer de in artikel 27 genoemde verjaring is ingetreden. Wanneer de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet, begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen op de in dat artikel genoemde gronden terstond en tot het volle bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring geen belang meer. Aansprakelijkgestelden 2 Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechtelijke bepaling voor de belasting aansprakelijk is gesteld, is de belastingaanslag te zijnen aanzien niet vatbaar voor zelfstandige verjaring, doch is uitsluitend van belang de vraag of ten aanzien van de belastingschuldige van verjaring sprake is. Stuiting 3 Artikel 27 stelt buiten twijfel dat de verjaring alleen wordt gestuit door de betekening van een akte van vervolging aan de belastingschuldige. Daaronder valt iedere betekening aan de belastingschuldige van een vervolgingsstuk, bijvoorbeeld een dwangbevel, een hernieuwd bevel tot betaling, of een beslag, ongeacht of desbetreffende vervolgingsmaatregel overigens resultaat oplevert. Bij de betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring, wordt de belastingschuldige over het doel van die betekening ingelicht; kosten worden voor een zodanige betekening niet in rekening gebracht. Ter stuiting van de verjaring kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat ingeval van stuiting van de verjaring door middel van het betekenen van een dwangbevel per post als betekeningsdatum geldt de dag van de ter post bezorging. Met betrekking tot de belastingaanslag van een overledene wordt stuiting verkregen door betekening aan de erfgenamen overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 53 Rv. Uitstel van betaling 4 Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a van de wet, heeft alleen plaats op grond van een op verzoek van de belastingschuldige formeel verleend uitstel van betaling. Eenzijdige opschorting van de invordering, uit welken hoofde dan ook, heeft geen schorsende werking. Als een verleend uitstel voortijdig wordt beëindigd wordt slechts de termijn gedurende welke de belastingschuldige daadwerkelijk uitstel van betaling heeft genoten in aanmerking genomen als de termijn waarmee de verjaring wordt geschorst, ongeacht de termijn waarvoor oorspronkelijk het uitstel van betaling is verleend. De schorsing eindigt dus op de dag waarop het uitstel formeel wordt ingetrokken. Wanneer een verleend uitstel van rechtswege vervalt (zie in dit verband artikel 25, § 1, tiende lid, van deze Leidraad) eindigt de schorsing op de dag waarop dat uitstel van rechtswege is vervallen en dus niet op de dag dat de belastingschuldige schriftelijk in kennis wordt gesteld van het feit dat het uitstel van rechtswege is vervallen. Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele aanslag met de tijd gedurende welke het uitstel loopt. Wettelijke schuldsanering 4a Door de indiening van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW zijn belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt, voorzover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar. Deze (onvoldaan gebleven) belastingaanslagen zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen in de zin van artikel 6:3, tweede lid, onderdeel a, BW. De verlenging van de verjaringstermijn inzake het recht tot dwanginvordering en verrekening heeft dan ook geen effect ten aanzien van belastingaanslagen die onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen. Echter in het geval de invorderingsambtenaar met betrekking tot die belastingaanslagen zijn rechten wel op de gewone wijze zou kunnen uitoefenen (vergelijk bijvoorbeeld artikel 350, derde lid, onderdelen c, d en e en artikel 358, tweede lid, juncto artikel 358a, eerste lid, FW) heeft verlenging van de verjaringstermijn wel zin. De verjaringstermijn wordt dan verlengd met de tijd gedurende welke de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gelopen. 5 n.v.t. 6 n.v.t. Rechtsgeding 7 Met betrekking tot het gestelde in artikel 27, tweede lid, onderdeel b van de wet, geldt als datum waarop de schorsing een aanvang neemt de dag waarop het rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt, waaronder dient te worden verstaan de dag waarop de dagvaarding wordt betekend. Afstand van verjaring 8 Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De invorderingsambtenaar beroept zich echter alleen op afstand van verjaring als zonder meer duidelijk is dat door de belastingschuldige daadwerkelijk is bedoeld afstand van de verjaring te doen. Beroep op verjaring 9 Het ligt niet op de weg van de invorderingsambtenaar betaling van een verjaarde belastingschuld te weigeren. Immers nadat verjaring is ingetreden is de schuld niet vervallen; er resteert een natuurlijke verbintenis. Geschillen over verjaring kan de belanghebbende aan de burgerlijke rechter voorleggen. Rente en kosten 10 De op een aanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als ten aanzien van een belastingaanslag de verjaring is ingetreden blijven dus ook met betrekking tot de rente en kosten invordering en verrekening achterwege. Hoofdstuk V Betalingskortingen en rente Artikel 27a Naar de inhoud Ingeval op een belastingaanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, die een te innen bedrag behelst en invorderbaar is in meer dan één termijn, op de eerste vervaldag ten minste het bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting is betaald, wordt een betalingskorting verleend over het bedrag van de belastingaanslag. De te verlenen betalingskorting wordt verleend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn. Ingeval een belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend, wordt verminderd, wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering, doch ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag. De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn. De betalingskorting wordt berekend naar het in artikel 29 bedoelde percentage dat geldt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel