1.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond,
niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 en lid 6 van dit
artikel, dan wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de
hoogte van het benadelingsbedrag.
2.De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:
10% van het benadelingbedrag als dit lager is dan € 4.000 en 20% van het
benadelingbedrag als dit hoger is dan € 4.000.
3.Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
maatregel 20% van de uitkering gedurende één maand.
4.Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een
schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de
bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer
bijstandsafhankelijk zijn een maatregel worden opgelegd van 100%. Deze
maatregel geldt alleen voor de WWB.
5.Als toepassing van het vorige lid leidt tot onbillijkheden wordt
toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder b van
de WWB en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening
voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk
zijn.
6.Bij het verwijtbaar geen of geen volledig recht op een uitkering
sociale verzekering of daarmee gelijk te stellen buitenlandse of private
aanspraken dan wel bij het verliezen van een dergelijk recht door eigen
toedoen wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende 1 maand.
§ 3.2
Artikel 17.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, Ioaw,Ioaz en Bbz 2012