Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk IV

Artikel 40

Interpellatie

Onderdeel van Reglement van Orde van de gemeenteraad

Een interpellatie kan worden aangevraagd over een onderwerp inzake het bestuurlijk doen of laten of handelen van het college of van één of meer collegeleden, als bedoeld in de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet, voorzover dit onderwerp niet op de agenda vermeld staat. Een interpellatie wordt uiterlijk 48 uur voorafgaand aan het tijdstip van aanvang van de raadsvergadering schriftelijk aangevraagd bij de voorzitter, tenzij het spoedeisend karakter zich tegen deze termijn verzet. De aanvraag gaat vergezeld van de te stellen vragen alsmede een korte toelichting dan wel motivering. Het collegelid tot wie de interpellatie zich in eerste instantie richt wordt terstond in kennis gesteld, alsmede alle raadsleden en overige collegeleden zo spoedig mogelijk daaropvolgend. Indien de raad instemt met het verzoek, stelt hij tevens het moment vast waarop de interpellatie zal worden gehouden. De interpellant krijgt van de voorzitter de gelegenheid tot het stellen van de reeds schriftelijk ingediende vragen en kan deze vragen zonodig verduidelijken of motiveren. De interpellant wordt niet geïnterrumpeerd. Na het stellen van de vragen krijgt het collegelid tot wie de vragen zich richt gelegenheid tot antwoord. Indien de vragen zich tot meerdere collegeleden richten, krijgen deze daaropvolgend gelegenheid tot antwoord. Na de beantwoording door het collegelid / de collegeleden vindt behandeling van het onderwerp op de gebruikelijke wijze als bedoeld in artikel 20 van dit Reglement van Orde plaats. Interpellant krijgt de gelegenheid tot het afleggen van een slotverklaring. Indien deze daarvan gebruik maakt, krijgt het collegelid eveneens gelegenheid voor een slotverklaring. De stemming over eventueel ingediende moties vindt plaats. Toelichting Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Op grond van artikel 155, eerste lid van de Gemeentewet komt aan individuele leden het recht toe mondelinge vragen te stellen aan het college of de burgemeester. Het interpellatierecht (lid 2) ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet-geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Een interpellatie heeft veelal betrekking op onderwerpen van een meer bestuurlijk (politiek) gewicht. De behandeling ervan kan eventueel uitmonden in een motie van afkeuring waarbij het vertrouwen in een collegelid wordt opgezegd. De raad is verplicht hierover nadere regels te stellen, hetgeen met dit artikel is geregeld. De procedure tijdens de vergadering is als volgt: De interpellant krijgt van de voorzitter de gelegenheid tot het stellen van de reeds schriftelijk ingediende vragen en kan deze vragen zonodig verduidelijken of motiveren. De interpellant wordt niet geïnterrumpeerd. Na het stellen van de vragen krijgt het collegelid of de burgemeester tot wie de vragen zich richten gelegenheid tot het geven van antwoord. Indien de vragen zich tot meerdere collegeleden richten, krijgen deze daaropvolgens gelegenheid tot het gevel van antwoord. Na de beantwoording door het collegelid / de collegeleden of burgemeester vindt behandeling van het odnerwerp op de gebruikelijke wijze als bedoeld in artikel 22 van dit Reglement van Orde plaats. Interpellant krijgt de gelegenheid tot het afleggen van een slotverklaring. Indien deze daarvan gebruik maakt, krijgt het collegelid of de burgemeester eveneens gelegenheid voor een slotverklaring. De stemming over eventueel ingediende moties vindt plaats.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel