Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 14

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Verordening Bestuurscommissie Ruimte en Omgeving

1.. Voor aanvang van de beraadslagingen kunnen aanwezige burgers gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde onderwerpen. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep open staat of heeft open gestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend; een onderwerp waarover het Presidium van de raad een afzonderlijke hoorzitting heeft belegd, waarin burgers het woord kunnen voeren. 3.. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen een redelijke termijn aan de secretaris. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 6.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers aan de vergadering. De voorzitter of een lid kan een voorstel doen voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel