**1..** De maatregel behorend bij de in de artikel 3 vermelde gedragingen wordt
vastgesteld op 5 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
**2..** De maatregel behorend bij de in de artikelen 4 vermelde gedragingen
wordt vastgesteld:
bij de gedraging omschreven onder:
met 5 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand;
met 20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand;
met 40 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand;
met 60 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand;
met 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
**3..** De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de
vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
een verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
van dringende redenen.
**4..** Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging binnen
twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met de ernst
van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
omstandigheden van de belanghebbende.
**5..** Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt
opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is
gelegd, heroverwogen. Indien er sprake is van een gedragsverbetering of
gewijzigde omstandigheden kan er opnieuw een beslissing worden genomen
ten aanzien van de hoogte en duur van de maatregel.
Artikel 5.
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand