Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 7

Woonvoorzieningen

Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012

7.1 Typen woonvoorzieningen Een individuele woonvoorziening kan bestaan uit: a een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten zoals bedoeld in artikel 15 onder a van de verordening; b bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 15 onder b van de verordening: kosten van een woonaanpassing; kosten voor het verwerven van grond. c een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 15 onder c van de verordening: kosten van hulpmiddelen; kosten van een losse woonunit; kosten van onderhoud, keuring en reparatie; kosten in verband met tijdelijke huisvesting; kosten in verband met huurderving; kosten in verband met het verwijderen van voorzieningen. d een uitraasruimte zoals bedoeld in artikel 15 onder d van de verordening. De voorziening zoals hierboven genoemd onder a, wordt verstrekt als financiële tegemoetkoming. De voorziening hierboven genoemd onder b, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woonruimte. De voorziening hiervoor genoemd onder c, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget, als financiële tegemoetkoming of in bruikleen. Indien de kosten betrekking hebben op een losse woonunit wordt de voorziening in bruikleen verstrekt. De voorziening genoemd onder d, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget. 7.2 Uitsluitend verstrekking in natura Woonvoorzieningen die uitsluitend in natura kunnen worden verstrekt zijn onder andere: mobiele tilliften, losse douchestoelen, douchebrancards, toiletstoelen. 7.3 Vergoeding woonvoorziening De financiële tegemoetkoming minus het eigen aandeel of het persoonsgebonden budget minus de eigen bijdrage voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van de voor de gemeente goedkoopst adequate voorziening. 7.3a Maximale vergoeding Indien het plaatsen van een losse woonunit tot de mogelijkheden behoort en deze als compenserend kan worden gezien, bedraagt de hoogte van de vergoeding maximaal de kosten van het plaatsen van de woonunit indien de aanvrager de losse woonunit niet wenst. 7.3b Hoogte vergoeding Bij het berekenen van de vergoeding voor een woningaanpassing zal rekening gehouden worden met de normale afschrijving. 7.4 Hoogte persoonsgebonden budget in verband met kosten voor het verwerven van grond Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 7.1, onder b betreft het uitbreiden van bestaande woningen, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kan het college een pgb verstrekken voor de extra te verwerven grond dat ten hoogste overeenkomt met het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, zoals vermeld in bijlage I. 7.5 Hoogte persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel voor de woning Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel voor de woning wordt vastgesteld op basis van artikel 7.3. Het pgb wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, gebaseerd op het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie over het jaar voorafgaand aan de toekenning van de desbetreffende voorziening, voor zover de woonvoorziening voorkomt op de in de bijlage II genoemde voorzieningen. 7.6 Hoogte persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie Het college verleent alleen een pgb of een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie indien de betreffende woonvoorziening in het kader van de verordening en het besluit is verleend. Het pgb wordt vastgesteld op de werkelijke kosten, doch ten hoogste op de gemiddelde kosten die de gemeente betaalt aan de gecontracteerde leverancier(s). 7.7 Hoogte financiële tegemoetkoming in verband met tijdelijke huisvesting 1 Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken in de kosten van tijdelijke huisvesting die door de aanvrager moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: a zijn huidige woonruimte; b de door de aanvrager nog te betrekken woonruimte. 2 De financiële tegemoetkoming als bedoeld onder lid 1 a en b wordt verleend uitsluitend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan met een maximum van zes maanden. 8 Hoogte financiële tegemoetkoming in verband met huurderving In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan € 4.750,- is aangepast, kan het college een financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de aangepaste woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt. De leegstand van de desbetreffende woning dient binnen 4 weken bij de gemeente te worden gemeld. Er wordt geen vergoeding verstrekt, indien de termijn van het vorige lid is verstreken. De hoogte van de financiële tegemoetkoming, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op de helft van de werkelijke kosten met een maximum van € 250,- per maand. 7.9 Hoogte financiële tegemoetkoming in verband met het verwijderen van voorzieningen Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen als bedoeld in artikel 7.1, onder c indien: a de kosten van de aanpassing van de woonruimte meer hebben bedragen dan €. 4.750,-; b de woning langer dan zes maanden leeg staat; c de aanpassingen zo specifiek zijn, dat het door de aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de woning aan een niet-gehandicapte te verhuren. 7.10 Afschrijvingsschema Het in artikel 21 van de van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning genoemde afschrijvingsschema luidt als volgt: afschrijving in 5 jaar waarbij de restitutie aan de gemeente als volgt luidt: voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde; voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde; voor het derde jaar 60% van de meerwaarde, voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde; voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde; 11 Verhuiskostenvergoeding Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15 onder a van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaard bedraagt maximaal € 2.500,-. Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten als bedoeld in artikel 7.1 onder a verstrekken aan: a de aanvrager; b of een persoon die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een aanvrager de woonruimte bestemd voor permanente bewoning heeft ontruimd. Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, onder a, indien: de aanvrager niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen; de aanvrager niet verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; de aanvrager niet verhuisd is naar een AWBZ-inrichting; in de te verlaten woonruimte ergonomische belemmeringen zijn ondervonden, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning betreft; de aanvrager niet verhuisd is op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing ook zonder beperkingen algemeen gebruikelijk geacht zou zijn. 12 Primaat van verhuizing Indien de noodzaak tot een bouwkundige- of woontechnische aanpassing zoals omschreven in artikel 15 sub b van de verordening vaststaat, past het college het primaat van verhuizing toe. Indien de kosten van een bouwkundige- of woontechnische aanpassing het bedrag van € 20.000,- te boven gaan, dient de aanvrager te verhuizen naar een adequate woning, tenzij binnen een periode van 6 maanden na besluit en berichtgeving aan belanghebbende geen geschikte woning is gevonden dan wel aangeboden. 7.13 Vergoeding bezoekbaar maken Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken als genoemd in artikel 19 lid 2 tot en met 5 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning bedraagt € 7.100,-. 7.14 In aanmerking komende kosten woonaanpassing Kosten worden vergoed voor zover deze betrekking hebben op de volgende limitatieve lijst: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; Ad 1 en 2: Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woning-aanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woning-aanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, gemaximeerd aan hetgeen gesteld is in artikel 7.4; de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van aansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de aanvrager, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1000,-- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 350,--. 7.15 Voorwaarden verstrekking pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er dienen door twee verschillende ondernemingen opgestelde offertes bij de gemeente ingediend te worden om te bepalen welke uitgevoerd kan gaan worden; De woningaanpassing dient uitgevoerd te worden conform het in het advies opgestelde programma van eisen; Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college; Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder d. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder d. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid comform het programma van eisen; De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. De tegemoetkoming in de kosten wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woonruimte, tenzij en voor zover de kosten van een woningaanpassing door de huurder zelf zijn gefinancierd, in welk geval de tegemoetkoming aan de huurder wordt uitbetaald. kDe tegemoetkoming in de kosten wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van de woonruimte. 7.16 Frequentie van woningaanpassingen 1De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 7.1 onder b en c wordt geweigerd, indien de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische belemmeringen geen aanleiding bestond (artikel 20 sub a van de Verordening). Burgemeester en wethouders verlenen een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening als bedoeld in artikel 7.1, onder b en c maximaal éénmaal. Het gestelde in het tweede lid is niet van toepassing, indien sprake is van minimaal één van de volgende omstandigheden: er is een noodzaak aanwezig voor een verhuizing op grond van ergonomische belemmeringen; naar het oordeel van burgemeester en wethouders is het door gezinsomstandigheden dringend noodzakelijk om te verhuizen; de te verlaten woning kan worden aangemerkt als meest adequate voorziening voor een andere aanvrager en de gekozen oplossing is als meest goedkoopste adequate aan te merken; de verhuizing plaatsvindt als gevolg van het aanvaarden van een werkkring in een andere gemeente; vervanging van een voorziening die defect is en waarvan de economische levensduur inmiddels verstreken is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel