**1..** Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling gemaakt
van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin
belanghebbende verkeert.
**2..** Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene
bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid geldt
het volgende:
indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt
de periode van verlaging vastgesteld op een maand.
indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt
aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
twee maanden.
indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
drie maanden.
**3..** Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over twee of drie
maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt ter
vervanging daarvan de verlaging over één maand verdubbeld, danwel
verdrievoudigd.
**4..** Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 11 van deze
verordening in beschouwing te worden genomen.
**5..** Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere
bijstand op de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:
Indien er sprake is van omstandigheden waardoor er aanleiding is om
toch bijzondere bijstand te verlenen wordt op individuele gronden in
meer of mindere mate afgeweken van het percentage als genoemd in
artikel 4, lid 1, sub e. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de
mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een geldlening, als
bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de Wet Werk en
Bijstand.