Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen.
Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
indien:
a) de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b) de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
c) de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
college of van een derde aan wie het college met toepassing van
artikel 7, lid 5 WWB, danwel artikel 11, lid 4 van de WIJ
werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
WWB, danwel artikel 44 van de WIJ;
d) het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.
Hoofdstuk 6.
Artikel 9
Horen van belanghebbende
Onderdeel van Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ