Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ

1.. De WIJ-norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de WIJ-norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar of ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning géén ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in artikel 30, lid 2 van de WIJ genoemde maximumbedrag. Het maximumbedrag van de toeslag wordt voor de alleenstaande van 21 jaar bepaald op 10% van het wettelijk minimumloon. De toeslag wordt voor de alleenstaande van 21 jaar en 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar, die hoofdbewoner is, eveneens in principe bepaald op het betreffende maximumbedrag indien in de woning hoofdverblijf heeft: een verzorgingsbehoevende; iemand die in verband met een crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan maximaal twee maanden; De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar eveneens in principe bepaald op het maximumbedrag indien men kostganger of onderhuurder is. De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar eveneens voor de duur van maximaal twee maanden in principe bepaald op het maximumbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een ander wordt opgevangen. 3.. a. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande van 22 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 10% van het wettelijk minimumloon. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 5% van het wettelijk minimumloon. Voor de alleenstaande van 21 tot 27 jaar en de alleenstaande ouder van 21 tot 27 jaar met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning meer dan één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bestaat geen recht op een toeslag. Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel worden twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving aangemerkt als één ander. Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel geldt de lagere toeslag bij voorrang voor de inwonende. Kosten kunnen worden gedeeld indien: een niet ten laste komend kind van 16 tot 18 jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het wettelijk minimumloon. een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21 jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het wettelijk minimumloon. een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar of ouder inkomsten heeft ter hoogte van tenminste 70% van het wettelijk minimumloon. de inwonende twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving inkomsten hebben ter hoogte van tenminste 100% van het wettelijk minimumloon. Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen delen. Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de hoofdbewoner(s) kosten te kunnen delen, ongeacht de hoogte van de inkomsten van de hoofdbewoner(s).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel