Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ

1.. De WIJ-norm als bedoeld in artikel 28 WIJ voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen wordt lager vastgesteld indien de met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de WIJ-norm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. a. De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen in wiens woning géén ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in artikel 28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag. De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar, die hoofdbewoner is, met of zonder ten laste komende kinderen eveneens in principe bepaald op het in artikel 28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag indien in de woning hoofdverblijf heeft: een verzorgingsbehoevende; iemand die in verband met een crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet langer duurt dan maximaal twee maanden; De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen eveneens in principe bepaald op het in artikel 28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag indien men kostganger of onderhuurder is. De WIJ-norm wordt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen eveneens voor de duur van maximaal twee maanden in principe bepaald op het in artikel 28 van de WIJ genoemde toepasselijke normbedrag indien men vanwege een crisissituatie bij een ander wordt opgevangen. 3.. a. De korting op de WIJ-norm als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen in wiens woning één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 10% van het wettelijk minimumloon. De korting op de WIJ-norm als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de gehuwde of de partner uit een daarmee gelijkgestelde samenleving van 21 tot 27 jaar met of zonder ten laste komende kinderen in wiens woning meer dan één ander, waarmee kosten kunnen worden gedeeld, zijn hoofdverblijf heeft 20% van het wettelijk minimumloon. Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel worden twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving aangemerkt als één ander. Voor de toepassing van de leden a en b van dit artikel geldt de korting in eerste instantie voor de inwonende met elkaar gehuwden of partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving met of zonder hun ten laste komende kinderen. Kosten kunnen worden gedeeld indien: een niet ten laste komend kind van 16 tot 18 jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het wettelijk minimumloon. een inwonende of mede-hoofdbewoner van 18 tot 21 jaar inkomsten heeft ter hoogte van tenminste de norm bedoeld in art 20 van de WWB (vervalt per 1 juli 2010), danwel art 26, sub a van de WIJ, vermeerderd met 20% van het wettelijk minimumloon. Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen blijven hierbij buiten beschouwing. een inwonende of mede-hoofdbewoner van 21 jaar of ouder inkomsten heeft ter hoogte van tenminste 70% van het wettelijk minimumloon. Inkomsten uit vakantiewerk alsmede de inkomsten uit studiefinanciering van de eigen of stiefkinderen blijven hierbij buiten beschouwing. de inwonende twee met elkaar gehuwden of de partners van een daarmee gelijkgestelde samenleving inkomsten hebben ter hoogte van tenminste 100% van het wettelijk minimumloon. Inwonenden worden niet geacht onderling kosten te kunnen delen. Inwonenden worden geacht ten allen tijde met de hoofdbewoner(s) kosten te kunnen delen, ongeacht de hoogte van de inkomsten van de hoofdbewoner(s).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel