De burgemeester kan de vergunning intrekken:
indien aannemelijk is dat de houder/beheerder van de
inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan
worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting,
die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een
bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de
omgeving van de inrichting;
indien de houder/beheerder van de inrichting toestaat, dan
wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
gepleegd;
indien de houder/beheerder van de inrichting zich schuldig
maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele
geaardheid;
indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten
hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend
blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare
orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of
leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
indien de houder/beheerder in strijd handelt met het bij of
krachtens artikel 2.29 bepaalde;
indien de houder/beheerder in strijd handelt met de aan de
vergunning verbonden voorschriften;
indien de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is
afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dan wel de exploitatie van
de inrichting op zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en
leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze
nadelig wordt beïnvloed;
de exploitatie voor een periode van langer dan drie maanden
is of wordt onderbroken;
de houder, en/of (mede-)beheerder(s) deze hoedanigheid heeft
of hebben verloren.
HOOFDSTUK 2. › AFDELING 8.
Artikel 2.28b
Intrekkingsgronden
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2009