Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de
alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de
veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een
ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de
basisnorm verhoogd met een toeslag.
In de toelichtende stukken op het wetsvoorstel is hierover
gezegd dat voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle
extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden
genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten
opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke
huishouding voert.
"Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of
uitgebreide zin) maar ook om alle andere uitgaven waarbij
partners een schaalvoordeel hebben omdat zij alle kosten van
huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. Bij de
relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
geconfronteerd kan onder meer gedacht worden aan duurzame
gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke
apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en
diverse andere kosten. De toeslag dient zodanig te zijn dat de
betrokkene daaruit op dezelfde wijze zijn algemene
bestaanskosten kan voldoen als nu het geval is met de volledig
landelijk genormeerde algemene bijstand. Bij de beoordeling of
betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in
voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk die
kosten met een ander deelt, maar of het - gegeven de
omstandigheden - redelijk is er vanuit te gaan dat deze kosten
kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste
gebruikersruimte (van bijstandsmiddelen, red.) ontstaan als de
hoogte van de toeslag afhankelijk is van de vraag of de
medebewoner, hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook
feitelijk een bijdrage levert in de woonkosten. Vandaar dat
gesproken wordt van het "kunnen delen" van de kosten.
Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan
te geven dat van de betrokkene kan worden gevergd dat deze
bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere
bijstandsuitkering te kunnen volstaan."
De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt,
zoals gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt
minimaal 0% en maximaal 20% van het netto minimumloon. Degene
die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet
aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen
worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een
toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van
de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting
die op de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel.
Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van
gegevens het recht moeten aantonen.
Hoofdstuk › Afdeling › Paragraaf
Artikel 4
lid 1
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Gemeente Assen