Het college volstaat bij een maatregelwaardige gedraging, als
bedoeld in artikel 11, derde lid van deze verordening met het
geven van een waarschuwing, tenzij binnen de voorafgaande 24
maanden een vergelijkbare gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
bijstand is verleend; of
belanghebbende inmiddels geen bijstand meer ontvangt,
tenzij de belanghebbende binnen een periode van 12
maanden opnieuw bijstand gaat ontvangen. In dat geval
wordt een besluit genomen over het alsnog toepassen dan
wel afzien van een verlaging op dat moment; of
het college dringende redenen aanwezig acht.
Indien het college volstaat met het geven van een waarschuwing
of afziet van het opleggen van een verlaging op grond van
dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
mededeling gedaan.
Paragraaf 2.
Artikel 6.
Waarschuwing of afzien van het opleggen van een verlaging
Onderdeel van Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2012’