De commissie kan in een besloten vergadering, op
grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de
Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die
vergadering met gesloten deuren behandelde en
omtrent de inhoud van de stukken die aan de
commissie worden overgelegd, geheimhouding
opleggen. Geheimhouding omtrent het in een
besloten vergadering behandelde wordt door allen
die bij de behandeling aanwezig waren en allen die
van het behandelde of de stukken kennis dragen, in
acht genomen totdat de commissie haar opheft.
Op grond van een belang, genoemd in artikel 10
van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de
geheimhouding eveneens worden opgelegd door de
voorzitter van de commissie, het college van
burgemeester en wethouders en de burgemeester,
ieder ten aanzien van stukken die zij aan de
commissie overleggen of ten aanzien van
mededelingen die zij aan de commissie doen.
Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De
geheimhouding wordt in acht genomen totdat het
orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, haar
opheft.
Indien de raad op grond van artikel 25, derde en
vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de
geheimhouding op te heffen wordt daarover, indien
de raadscommissie die geheimhouding heeft opgelegd
daarom verzoekt, in een besloten vergadering met
de raadscommissie overleg gevoerd.
Raadsleden die niet in de betreffende
commissievergadering aanwezig waren, kunnen de
besluitenlijst inzien bij de (commissie)griffier.
Van deze inzage houdt de griffier een register
bij. Voor raadsleden die van deze inzage gebruik
maken geldt ook de plicht tot geheimhouding
conform lid 1.