Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZinrichting
De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat.
De financiële tegemoetkoming bedoeld in het tweede lid wordt verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de persoon met beperkingen reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt.
Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Een toilet wordt uitsluitend bereikbaar gemaakt indien deze ruimte reeds geschikt is voor gebruik door de persoon met beperkingen.
Het eerste lid bepaalt dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat, heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in verhuiskosten behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.
In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen.
Artikel 20 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel:
Deze uitzondering is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de Verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden of te beperken.
Een persoon met beperkingen die zijn hoofdverblijf in een AWBZ-instelling heeft, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van één (andere) woonruimte, mits in geen andere gemeente een woning voor de persoon met beperkingen bezoekbaar is gemaakt. Het uitgangspunt bij bezoekbaar maken is om kortdurende bezoeken aan ouder(s) ( bij jonge kinderen/ jong volwassenen) of de partner mogelijk te maken.Bezoekbaar maken houdt in dat de persoon met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Voorwaarde voor het bereikbaar maken van het toilet is dat die ruimte reeds geschikt is voor gebruik door de persoon met beperkingen. De aanpassing van de toiletruimte wordt beperkt tot het plaatsen van enkele wandbeugels.
NB: In een uitspraak van de CRvB van 19 maart 1999 stelt de Raad dat de combinatie van deze uitsluiting van de zorgplicht en de limitatieve aard van de opsomming in de verordening een strikte toepassing rechtvaardigen. Dit betekent dat in deze zaak geen tillift werd verstrekt omdat dit geen relatie had tot het bezoekbaar maken van de woonruimte maar met het gebruik van de woning. Daarnaast herhaalt de Raad haar mening dat in een dergelijke situatie de hardheidsclausule niet gehanteerd kan worden.
Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat dus niet om gebruiken maar om bereiken.
4.6. Beperkingen