Naar hoofdinhoud

Artikel 14

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB

Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): Lid 1: Voor zover de belanghebbende aanspraak kan maken op andere bronnen van inkomsten, moet hij al het mogelijke doen om daar gebruik van te kunnen maken. De WWB, IOAW of IOAZ zijn bedoeld als laatste vangnet. Lid 3: Wanneer iemand te snel inteert op zijn vermogen, is dat ook een gedraging waarbij onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef wordt getoond. In een dergelijk geval dient er altijd een berekening te worden gemaakt over de periode die een normale te achten intering zou hebben bestreken. Daarna volgt een beslissing, waarbij de bijstand wordt afgestemd in dat individuele geval. Bij een te snelle intering op het vermogen is de verlaging 20% voor de duur van het aantal maanden waarover te snel is ingeteerd. Dit is de periode vanaf het moment dat belanghebbende beschikt over een meer dan toegestaan vermogen en hij een normale intering recht zou hebben op bijstand. (fictief: 1 mei € 6000 boven toegestaan vermogen. Normale intering 1,5 x de norm per maand = € 1500. Na vier maanden, 1 september, komt belanghebbende weer in aanmerking voor bijstand. Nu komt belanghebbende op 15 juni voor bijstand en zijn vermogen is onder het toegestane vermogen. Belanghebbende heeft 2,5 maand te snel ingeteerd en krijgt een afstemming van 20% gedurende 2,5 maand). Daarnaast moeten we ook een afweging maken over het tonen van onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef indien een betrokkene zonder noodzaak leningen afsluit voor de aanschaf van luxegoederen en ten gevolge daarvan te snel inteert. Ook daarmee wordt een gedraging verricht, die getuigt van onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef en om die reden moet ook dan worden bekeken over welke periode de te snelle intering zich uitstrekt. De afstemming bedraagt 20% van de geldende bijstandsnorm, gedurende een even lange periode waarover te snel is ingeteerd. Bij de vaststelling van de periode gaan we uit van 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm wanneer belanghebbende het vermogen tijdig opgeeft en 1 keer de toepasselijke bijstandsnorm wanneer belanghebbende het meer dan toegestane vermogen verzwijgt of te laat opgeeft.

Rechtspraak bij dit artikel