**1..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
**2..** De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
**3..** De jongere die met twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft ontvangt geen toeslag.
**4..** De jongere die kamerbewoner is, ontvangt een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm.
**5..** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en vierde lid, ontvangt de alleenstaande jongere van 21 of 22 jaar geen toeslag, tenzij van deze jongere zeer langdurig niet gevergd kan worden dat hij een werkleeraanbod of arbeid tracht te aanvaarden.
**6..** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en vierde lid, ontvangt de jongere die wel woonruimte maar geen woonlasten heeft, geen toeslag.
**7..** De jongere die geen eigen woonruimte heeft en daardoor gebruik maakt van een door het college ter beschikking gesteld briefadres, of van een ander postadres, ontvangt geen toeslag.
**8..** De jongere, die inwoont bij zijn ouder(s), wordt geacht bij te dragen in de woonlasten en ontvangt een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm, tenzij het een alleenstaande jongere is van 21 of 22 jaar betreft.
**9..** Voor de toepassing van dit artikel wordt één gezin gelijkgesteld aan één ander.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 3.
Toeslagen alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren