Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10

Artikel 10.2

Toeslag voormalig alleenstaande ouder

Onderdeel van Handreiking Bijzondere bijstand en Voorzieningen voor minima 2012 Gemeente Neder-Betuwe

Het bereiken van de 18-jarige leeftijd door het jongste ten laste komende kind heeft voor een alleen-staande ouder in ieder geval één en mogelijk zelfs twee financiële gevolgen. • In de eerste plaats verandert de basisnorm algemene bijstand van die voor een alleenstaande ouder, zijnde 70% van de gehuwdennorm, naar die voor een alleenstaande, zijnde 50% van de gehuwdennorm. Dit betekent een inkomensachteruitgang van € 259,01 netto per maand inclusief vakantietoeslag. Genoemd bedrag geldt per 1 juli 2009. De vakantietoeslag bedraagt 5%. • In de tweede plaats kan onder omstandigheden de hoogte van de toeslag wijzigen. De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de dag dat het laatste ten laste komen-de kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of niet meer door belanghebbende verzorgd wordt. Vóór de normwijziging, dus als het kind nog geen 18 jaar is, is er sprake van een gezin (artikel 4 onder-deel c aanhef en onder 3 WWB). Op het moment dat het kind 18 jaar wordt, is er wel sprake van een ge-zamenlijke huishouding (artikel 3 lid 3 WWB). Maar ouder en kind worden op grond van artikel 3 lid 2 onderdeel a WWB niet gelijk gesteld met gehuwden; dus is de gehuwdennorm voor hen niet van toepassing. Het feit dat het jongste ten laste komende kind 18 jaar is geworden, is op zichzelf geen bijzondere om-standigheid. Het is evenwel mogelijk dat de voormalig alleenstaande ouder nog meer tijd nodig heeft om het uitgavenpatroon aan te passen aan de teruggang van inkomen. Onder die omstandigheden moet de gemeente bevoegd worden geacht om in voorkomende gevallen voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Beleidsregel: Toeslag voormalig alleenstaande ouders. De gemeente verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijke) compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. In de bijstandsnorm (norm + toeslag - verlaging, zie artikel 5 onderdeel c WWB) is reeds rekening gehouden met het feit dat het kind met een laag inkomen niet (optimaal) kan bijdragen aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel