Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9

Artikel 9.2.2

In een inrichting

Onderdeel van Handreiking Bijzondere bijstand en Voorzieningen voor minima 2012 Gemeente Neder-Betuwe

Personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel a WWB; artikel 42 lid 1 sub j WIJ). In hun algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt grotendeels voorzien door de inrichting waar ze verblijven. Let wel: bij personen in deze leeftijdscategorie wordt van de ouders over het algemeen een bijdrage gevraagd in de kosten van het verblijf in de inrichting. Voor zover niet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongeren van 18 t/m 20 jaar wordt voorzien door de inrichting waar zij verblijven - denk aan: ouderbijdrage, zak- en kleedgeld en overige bijzondere kosten die de inrichting niet vergoedt - zal eerst een beroep op de ouders moeten worden gedaan. Deze hebben ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. Er kan echter niet zonder meer van worden uitgegaan dat de jongeren altijd voor hun bestaanskosten volledig een beroep op de ouders kunnen doen. Voor zover dit beroep niet mogelijk is, wordt voorzien in een recht op bijzondere bijstand (artikel 12 WWB). Het komt slechts zeer incidenteel voor dat aan deze groep bijstand moet worden verstrekt. Nog meer dan bij de andere personen jonger dan 21 jaar zal de te verlenen bijstand afhangen van de persoonlijke omstandigheden. Een juiste aansluiting op de bestaanskosten van de betrokkene en de ouderlijke onderhoudsplicht kan dus alleen worden bereikt door de hoogte van de bijstand geheel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de betrokkene. Daarvoor vormt de bijzondere bijstand het aangewezen instrument. Onder bepaalde voorwaarden kan op grond van artikel 12 WWB bijzondere bijstand worden verleend voor: a) de kosten van levensonderhoud voor zover de inrichting daarin niet voorziet; b) bijzondere kosten (= de normale bijzondere bijstand). Alleen wanneer om redenen genoemd in artikel 12 WWB geen beroep op de ouders kan worden ge-daan, is verlening van bijzondere bijstand mogelijk. Verlening van bijzondere bijstand is mogelijk wan-neer de jongere voor zijn noodzakelijke kosten van het bestaan geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. de ouders van belanghebbende bevinden zich in het (verre) buitenland en zijn daar onbereikbaar; c. de ouders van belanghebbende zijn overleden; d. de relatie tussen belanghebbende en zijn ouders is ernstig verstoord (om misbruik te voorkomen mag deze conclusie echter niet al te snel en lichtvaardig getrokken worden). Vorenstaande lijst met voorbeelden is niet limitatief. Er zijn dus ook nog andere situaties denkbaar waarin toepassing van artikel 12 WWB aan de orde kan zijn. Het is niet mogelijk om in dit verband in de vorm van beleid een limitatieve opsomming te geven. Omdat het hier verlening van bijzondere bijstand betreft, zal de uiteindelijke hoogte van de bijstand afgestemd moeten worden op de individuele omstandigheden. Er zal derhalve altijd een onderzoek moeten plaatsvinden naar de hoogte van de noodzakelijke kosten van het bestaan. Wordt bijzondere bijstand voor zak- en kleedgeld verstrekt aan personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 WWB) afgestemd op de individuele omstandigheden van de jongere. De te verlenen bijzondere bijstand zal echter nooit meer bedragen dan het normbedrag algemene bijstand, dat geldt voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven. (artikel 23 WWB; artikel 29 WIJ). LET OP: kinderbijslag wordt, als deze voor de jongere kan worden aangewend, in mindering gebracht. Bij plaatsing in een voorziening ingevolge de Wet op de Jeugdhulpverlening is zak- en kleedgeld in de dagprijs begrepen. De hoogte van de bijzondere bijstand die is bedoeld voor bijzondere kosten (zoals een bril) wordt vastge-steld volgens de normale regels, zonder acht te slaan op de leeftijd van de betrokkene. Wel zal ook hier eerst gecontroleerd moeten worden of er is voldaan aan de eisen van artikel 12 WWB. Met andere woorden: ook voor bijzondere kosten zal eerst een beroep op de ouders gedaan moeten worden totdat de leeftijd van 21 jaar is bereikt. Indien aan jongeren van 18 t/m 20 jaar bijzondere bijstand verstrekt, gelden er speciale regels inzake de korting van alimentatie (artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB welke voor de WIJ niet van toepassing is verklaard (artikel 7, lid 1 WIJ)). Wanneer met toepassing van artikel 12 WWB bijzondere bijstand wordt verleend aan een persoon van 18 t/m 20 jaar dan kan de gemeente deze bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht van artikel 395 onderdeel a van Boek 1 BW verhalen op de onderhoudsplichtige ouders (artikel 61 lid 1 onderdeel a WWB). Deze verhaalsmogelijkheid geldt dus ook voor de bijzondere bijstand die wordt verleend aan een jongere die in een inrichting verblijft en niet alleen voor de bijzondere bijstand aan een jongere die niet in een inrichting verblijft. Beleidsregel: In inrichting wonende jongeren van 18 t/m 20 jaar. Voor zover niet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongeren van 18 t/m 20 jaar wordt voorzien door de inrichting waar zij verblijven - denk aan: ouderbijdrage, zak- en kleedgeld en overige bijzondere kosten die de inrichting niet vergoedt - zal eerst een beroep op de ouders moeten worden gedaan. Deze hebben ingevolge Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft. Verhaal. De gemeente hanteert als beleid, nadat is overgegaan tot verlening van aanvullende bijzondere bijstand aan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar, dat geen verhaal van deze bijstand op diens onderhoudsplichtige ouders wordt gezocht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel