Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.3

Artikel 2.1.3

Onderdeel van Subsidieregeling instandhouding Erfgoed Zaanstad 2012

Subsidiabele instandhoudingskosten zijn kosten, die met inachtneming van lid 3 t/m 7 van dit artikel en naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn om delen van gemeentelijke monumenten te herstellen of te conserveren. Bij de bepaling van de hoogte van de subsidiabele instandhoudingskosten wordt gebruik gemaakt van de "Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten BRIM 2011”, behorend bij de BRIM rijkssubsidieregeling van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, welke leidraad voor de toepassing van bepalingen uit deze regeling daarvan integraal deel uitmaakt. De monumentale waarde van een gemeentelijk monument wordt bepaald door de dragende delen, de vloeren en het omhulsel, alsmede door die onderdelen of objecten die blijkens het rijksregister of de gemeentelijke monumentenlijst, dan wel naar het oordeel van burgemeester en wethouders van belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Subsidiabele instandhoudingskosten zijn kosten die gemaakt worden voor: voorzieningen aan een gemeentelijk monument, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn ten behoeve van een regelmatige inspectie daarvan; installaties ter voorkoming van brand of blikseminslag voor zover die installaties zijn voorgeschreven door het bevoegd gezag; schilderwerk voor zover de te schilderen delen gerestaureerd worden; een casco-All-Risk verzekering naar evenredigheid van de verhouding tussen de subsidiabele en de niet-subsidiabele restauratiekosten; directiekosten naar evenredigheid van de verhouding tussen de subsidiabele en niet-subsidiabele restauratiekosten; bouwhistorisch- en archeologisch onderzoek. Bij de bepaling van de hoogte van de subsidiabele instandhoudingskosten wordt bij zelfwerkzaamheid het loonkostenbestanddeel buiten beschouwing gelaten.

Rechtspraak bij dit artikel