1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de
bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe
beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip
van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.
2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een
milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.
3. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de
milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.
4. De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van
Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.
5. Bij regeling van onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het
samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:
a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf; en
b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,
indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel
waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie
wordt toegepast.