1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en
met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft
niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits
a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:
i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en
ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, de
maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede
lid;
iii. bij toepassing in oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse
industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt
aangebracht.
2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling
van Onze Ministers te bepalen gevallen.
3. De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve
meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.
4. Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan
het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel
35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:
a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen en
spoorwegen betreft; en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een
aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende
bermen en taluds.
6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of
baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan
een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het
ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.