1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of
baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers
bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning
krachtens artikel 9, eerste lid.
2. De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een
milieuhygiënische verklaring.