1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie,
voor zover:
a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan
volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing;
b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of
onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en
c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel
1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
2. De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,
gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die
voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.
3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken
van de bepalingen van dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
milieubeheer. In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de
Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.