1. Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen
grond of baggerspecie niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de
maximale waarden, bedoeld in artikel 46.
2. Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden, bedoeld in de
artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast in het
bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.
3. Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem,
waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, overschrijdt, kan deze grond of
baggerspecie alleen worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.
4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:
a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de
uitoefening van beroep of bedrijf;
b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of
baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een
vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt
toegepast.