1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap
kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor
toepassingen als bedoeld in artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen
bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen
baggerspecie die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid voor die toepassing
zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,
bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.
2. Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het bestuursorgaan, bedoeld in
het eerste lid, voor daarbij aan te geven parameters geen hogere maximale waarden kan
vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.
3. Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de Nederlandse territoriale zee kan
het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de
krachtens artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.