Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen
weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of
kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij
of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk
voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden
gevergd.