De ontwikkelingsgeschiedenis van deze regio zal terug gaan tot voor
de Saale-ijstijd. Deze ijstijd, zo'n 200.000-120.000 jaren geleden,
volgde op een periode met een klimaat dat vergelijkbaar is met het
huidige. De Gelderse Vallei, waarvan de naam enigszins verwarrend is
doordat de westzijde bij de provincie Utrecht hoort, was toen het
stroomdal van de Maas. Het stroomdal boog in de ijstijd westwaarts
af door grote veranderingen in het landschap.Tijdens de
Saale-ijstijd drong landijs vanuit Scandinavië Nederland binnen. Dit
landijs had een sterke schurende werking en vormde glaciale bekkens.
De Gelderse Vallei is een van die glaciale bekkens. Aan de randen
van het ijs werd door de druk de bevroren ondergrond weggeduwd tot
stuwwallen.
De stuwwallen aan weerszijde van de Gelderse Vallei zijn de
Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De steile wanden van de stuwwallen
zijn in de loop van de tijd afgevlakt en het bekken is opgevuld met
materiaal dat door rivieren is aangevoerd. Door het stijgen van de
zeespiegel na de ijstijd heeft er in de Vallei kleiafzetting
plaatsgevonden die een ondoordringbare laag heeft gevormd in de
bodem. De wind heeft er zand afgezet in de vorm van dekzandruggen
van zand dat afkomstig was van onder andere de stuwwallen. Buiten de
dekzandruggen bestond het gebied vooral uit natte heide, moeras en
kleine vennen. In de lagere delen op de natte plekken heeft
veenvorming plaats kunnen vinden. Doordat het water in deze regio in
noordwestelijke richting afstroomt en door het asymmetrische profiel
van de Vallei is het veen vooral aan de westzijde, dicht tegen de
Utrechtse Heuvelrug gelegen.
Deze natuurlijke driedeling in de regio zorgt voor een grote
variatie in het landschap en heeft de ontwikkeling van het
cultuurlandschap in grote mate bepaald. Als eerste werden de hogere
delen van het gebied in gebruik genomen voor landbouw en bewoning.
Doordat in de Vallei alleen de dekzandruggen geschikt waren voor
bewoning en landbouw, is het resultaat een landschap met verspreide
boerderijen. Dit kleinschalige landschap in het centrum van de
Vallei met onregelmatige blokverkaveling wordt het hoeven- of
Kampenlandschap genoemd. Dit landschap is ook wel bekend als het
coulisselandschap.
Eeuwenlang bestond de landbouw in de Gelderse Vallei voornamelijk
uit akkerbouw. Rogge en boekweit waren de belangrijkste gewassen.
Het vee dat werd gehouden was nodig om het bouwland te kunnen
bemesten en bewerken en stond dus in dienst van de akkerbouw. Met de
komst van kunstmest kwamen er nieuwe mogelijkheden voor de landbouw
en werd het areaal landbouwgrond vergroot, de heidegrond werd
ontgonnen. Een andere grote verandering in het landschap vond plaats
door het kanaliseren van natuurlijke waterlopen.Een bijzonder geval
in dat opzicht is de aanleg van De Grift (ten zuiden van
Amersfoort), waartoe in 1550 is besloten. De Grift heeft naast het
waterstaatkundige belang (goede waterafvoer), een belangrijke rol
vervuld bij het transport van de afgegraven turf.
Maar een klein deel van de Vallei is systematisch ingericht,
namelijk de broekontginningen. Deze ontginningen zijn te herkennen
aan de strookvormige verkaveling, waarbij de sloten voor de
ontwatering en afvoer van turf bijna even belangrijk waren als de
percelen. Doordat er werd ontgonnen vanuit de hoger gelegen ruggen
ontstonden er lintdorpen. In de 17e eeuw en later zijn
tal van landgoederen en buitenplaatsen tot ontwikkeling gekomen.
Deze zijn voornamelijk gesitueerd aan de rand van de stuwwal en op
de dekzandruggen. Deze landgoederen omvatten elementen van de
verschillende landschapstypen, parken, boscomplexen, agrarisch
gebied en natuurterreinen, waaronder heidevelden. Ook zijn er enkele
verdedigingswerken opgezet langs de grens van de provincies Utrecht
en Gelderland die inmiddels zijn uitgegroeid tot landhuizen of
landgoederen.De jongste ontginningen zijn de heide- en
broekontginningen. Vanaf 1850 zijn nagenoeg alle resterende heide-
en broekgebieden ontgonnen. Nog maar enkele heidegebieden zijn in
het huidige landschap aanwezig. Deze heide- en broekontginningen
zijn grootschalig en rationeel ingedeeld. Het landschap is vaak arm
aan beplanting en omdat de ontginning relatief kort geleden plaats
heeft gevonden komt er weinig oude bebouwing voor. Een belangrijk
historisch element in deze regio is de Grebbelinie. De Grebbelinie
was een waterlinie en diende om de vijand zo lang mogelijk tegen te
houden om de verdedigingslinie rond de Hollandse Waterlinie op
sterkte te krijgen. De Vallei was door zijn slechte afwatering een
moeilijk te doorkruisen gebied. Alleen de wegen, die altijd op
hogere delen zijn aangelegd, hoefden te worden verdedigd. Om de
doorkruising moeilijker te maken zijn delen van het gebied
geïnundeerd. De benodigde hoeveelheid water werd verminderd door het
gebied op te delen in kleinere kommen en met sluizen met elkaar te
verbinden. Het hoogteverschil tussen de eerste en laatste kom
bedroeg 6.5 meter.