Naar hoofdinhoud

Deel A › Hoofdstuk 4

Artikel 4.2

Onwikkelingsgeschiedenis.

Onderdeel van Welstandsnota

De ontwikkelingsgeschiedenis van deze regio zal terug gaan tot voor de Saale-ijstijd. Deze ijstijd, zo'n 200.000-120.000 jaren geleden, volgde op een periode met een klimaat dat vergelijkbaar is met het huidige. De Gelderse Vallei, waarvan de naam enigszins verwarrend is doordat de westzijde bij de provincie Utrecht hoort, was toen het stroomdal van de Maas. Het stroomdal boog in de ijstijd westwaarts af door grote veranderingen in het landschap.Tijdens de Saale-ijstijd drong landijs vanuit Scandinavië Nederland binnen. Dit landijs had een sterke schurende werking en vormde glaciale bekkens. De Gelderse Vallei is een van die glaciale bekkens. Aan de randen van het ijs werd door de druk de bevroren ondergrond weggeduwd tot stuwwallen. De stuwwallen aan weerszijde van de Gelderse Vallei zijn de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De steile wanden van de stuwwallen zijn in de loop van de tijd afgevlakt en het bekken is opgevuld met materiaal dat door rivieren is aangevoerd. Door het stijgen van de zeespiegel na de ijstijd heeft er in de Vallei kleiafzetting plaatsgevonden die een ondoordringbare laag heeft gevormd in de bodem. De wind heeft er zand afgezet in de vorm van dekzandruggen van zand dat afkomstig was van onder andere de stuwwallen. Buiten de dekzandruggen bestond het gebied vooral uit natte heide, moeras en kleine vennen. In de lagere delen op de natte plekken heeft veenvorming plaats kunnen vinden. Doordat het water in deze regio in noordwestelijke richting afstroomt en door het asymmetrische profiel van de Vallei is het veen vooral aan de westzijde, dicht tegen de Utrechtse Heuvelrug gelegen. Deze natuurlijke driedeling in de regio zorgt voor een grote variatie in het landschap en heeft de ontwikkeling van het cultuurlandschap in grote mate bepaald. Als eerste werden de hogere delen van het gebied in gebruik genomen voor landbouw en bewoning. Doordat in de Vallei alleen de dekzandruggen geschikt waren voor bewoning en landbouw, is het resultaat een landschap met verspreide boerderijen. Dit kleinschalige landschap in het centrum van de Vallei met onregelmatige blokverkaveling wordt het hoeven- of Kampenlandschap genoemd. Dit landschap is ook wel bekend als het coulisselandschap. Eeuwenlang bestond de landbouw in de Gelderse Vallei voornamelijk uit akkerbouw. Rogge en boekweit waren de belangrijkste gewassen. Het vee dat werd gehouden was nodig om het bouwland te kunnen bemesten en bewerken en stond dus in dienst van de akkerbouw. Met de komst van kunstmest kwamen er nieuwe mogelijkheden voor de landbouw en werd het areaal landbouwgrond vergroot, de heidegrond werd ontgonnen. Een andere grote verandering in het landschap vond plaats door het kanaliseren van natuurlijke waterlopen.Een bijzonder geval in dat opzicht is de aanleg van De Grift (ten zuiden van Amersfoort), waartoe in 1550 is besloten. De Grift heeft naast het waterstaatkundige belang (goede waterafvoer), een belangrijke rol vervuld bij het transport van de afgegraven turf. Maar een klein deel van de Vallei is systematisch ingericht, namelijk de broekontginningen. Deze ontginningen zijn te herkennen aan de strookvormige verkaveling, waarbij de sloten voor de ontwatering en afvoer van turf bijna even belangrijk waren als de percelen. Doordat er werd ontgonnen vanuit de hoger gelegen ruggen ontstonden er lintdorpen. In de 17e eeuw en later zijn tal van landgoederen en buitenplaatsen tot ontwikkeling gekomen. Deze zijn voornamelijk gesitueerd aan de rand van de stuwwal en op de dekzandruggen. Deze landgoederen omvatten elementen van de verschillende landschapstypen, parken, boscomplexen, agrarisch gebied en natuurterreinen, waaronder heidevelden. Ook zijn er enkele verdedigingswerken opgezet langs de grens van de provincies Utrecht en Gelderland die inmiddels zijn uitgegroeid tot landhuizen of landgoederen.De jongste ontginningen zijn de heide- en broekontginningen. Vanaf 1850 zijn nagenoeg alle resterende heide- en broekgebieden ontgonnen. Nog maar enkele heidegebieden zijn in het huidige landschap aanwezig. Deze heide- en broekontginningen zijn grootschalig en rationeel ingedeeld. Het landschap is vaak arm aan beplanting en omdat de ontginning relatief kort geleden plaats heeft gevonden komt er weinig oude bebouwing voor. Een belangrijk historisch element in deze regio is de Grebbelinie. De Grebbelinie was een waterlinie en diende om de vijand zo lang mogelijk tegen te houden om de verdedigingslinie rond de Hollandse Waterlinie op sterkte te krijgen. De Vallei was door zijn slechte afwatering een moeilijk te doorkruisen gebied. Alleen de wegen, die altijd op hogere delen zijn aangelegd, hoefden te worden verdedigd. Om de doorkruising moeilijker te maken zijn delen van het gebied geïnundeerd. De benodigde hoeveelheid water werd verminderd door het gebied op te delen in kleinere kommen en met sluizen met elkaar te verbinden. Het hoogteverschil tussen de eerste en laatste kom bedroeg 6.5 meter.

Rechtspraak bij dit artikel