Naar hoofdinhoud

Deel A › Hoofdstuk 4

Artikel 4.5

Bebouwing

Onderdeel van Welstandsnota

Er zijn, zoals in de vorige paragrafen omschreven, verschillende landschapstypen te onderscheiden. De bebouwing die zich in het gebied voordoet, blijkt slechts in geringe mate verband te houden met het landschapstype; de verschillen houden vooral verband met de tijd waarin de bebouwing is opgericht. Voor de voorliggende welstandsnota zijn met name de recente ontwikkelingen van belang zijn. Ook daarvoor geldt dat zich in de Gelderse Vallei vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan. Om die reden is de bebouwing in objectcriteria ondergebracht, zoals hallenhuisboerderij, bedrijfsbebouwing, agrarische bedrijfswoning en recreatieterreinen. In de periode van de jaren '80 tot heden hebben zich in grote delen van de Gelderse Vallei ingrijpende veranderingen voorgedaan. Dat betreft processen van verandering en schaalvergroting binnen de agrarische sector. Dat gaat gepaard met een schaalvergroting van de agrarische opstallen. Bovendien heeft de bio-industrie grote ruimtelijke consequenties, door de grote stallen en de grote aantallen. Die processen hebben bovendien tot gevolg dat boerderijen 'overbodig' worden en ruimte gaan bieden aan andere niet-agrarische activiteiten en wonen. Met name het wonen heeft een enorme vlucht genomen. Men treft in de periode van de jaren '80 tot heden hoofdzakelijk twee stromen of bouwstijlen in het buitengebied aan. De eerste stroming tracht op een respectvolle manier om te gaan met de historische bouwstijl van de hallenhuizen door de hoofdkarakteristiek terug te brengen in de nieuwbouw. Hierbij is echter niet langer sprake van woonhuis en bedrijfsgedeelte onder een kap, maar van alleen wonen. Door verandering in de schaal zijn de bouwwerken niet zo omvangrijk als de oorspronkelijke. Met het toepassen van een forse kap (zadeldak met wolfseinde) met riet of donkere pannen gaan de oorspronkelijke verhoudingen daarbij evenwel verloren, waarmee veeleer een compact beeld ontstaat, dat als storend kan worden ervaren. Dit wordt versterkt wanneer men flinke aanbouwen of uitbouwen ook nog voorziet van een forse kap. De tweede stroming probeert afstand te nemen van de historische stijlen door het gebruik van contrasterende materialen en kleuren. Hout wordt veel toegepast in lichte tot donkere kleuren (meestal wit tot donkergroen, maar ook lichtgeel en zalmkleurige tinten), vooral als accent in de puntgevel. Zo ontstaat een duidelijk verschil in de opbouw met een rode gemetselde begane grond met donkere plint en een houten puntgevel. De daken zijn in het algemeen zadeldaken en vaak voorzien van dakkapellen met houten zijwangen. Ze zijn gedekt met donkerbruine tot antracietkleurige pannen (donker geglazuurde pannen komen ook voor; deze zijn zeer opvallend aanwezig). Soms ziet men toch overeenkomsten met de jaren '30 stijl met grote oversteken van de dakgoten met witte randen. De nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing behoort eveneens tot de tweede stroming, al speelt daar vooral de efficiency een rol. De huidige agrarische bedrijfsvoering is vooral gebaat bij grote, goedkope en goed te gebruiken ruimten. Dat uit zich in het gebruik van damwandprofielen bij de gevels en golfplaten afdekkingen. Dit wordt in vele situaties als ruimtelijk storend ervaren. Dat wordt verminderd indien donkere tinten en profielen worden gebruikt en als een duidelijke plint van metselwerk aanwezig is. Door aanpassingen en toevoegingen varieert het huidige beeld van een agrarisch bedrijf. Bijgebouwen of schuren zijn in de loop van de tijd, door behoefte aan meer overkapte ruimte, achter of zelfs rondom het hoofdgebouw geplaatst.Vaak is ook het hoofdgebouw uitgebreid. Van kleine ingrepen in het verleden tot hedendaagse uitbouwen of aanbouwen die door hun proporties de 'leesbaarheid' van het gebouw aantasten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de uitbouwen de verhoudingen en inhoud van een woonhuis krijgen. De aanbouw is dan niet meer ondergeschikt te noemen, vooral als de kapvorm dominant wordt. De hoofdopzet van een agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de 'rustende boer') naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet. Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange stallen en één of meer werktuigbergingen of schuren. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, lange, rechthoekige constructies met een zadeldak gedekt met donkergrijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een groene damwandprofiel. Overwegend is sprake van een asymmetrisch zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de diepte of de breedte van de kavels. Bij smalle en diepe kavels (polderlandschap en veenontginningslandschap) staan de meeste bijgebouwen met de nokrichting evenwijdig aan de nokrichting van het hoofdgebouw. Bij brede en ondiepe kavels (kampenlandschap en heideontginningslandschap) kunnen de bijgebouwen haaks staan ten opzichte van het hoofdgebouw. De mate waarin zich nieuwbouwinitiatieven hebben voorgedaan verschilt binnen de Gelderse Vallei. In algemene zin kan gesteld worden dat in delen van met name de gemeenten Barneveld, Putten en Nijkerk veel burgerwoningbouw is gerealiseerd, vooral in de laatste tien jaren. Die initiatieven zorgen voor een zekere eenvormigheid binnen het gebied. Bovendien zijn hier diverse recreatieterreinen ontstaan met recreatiewoningen, bungalows en stacaravans in diverse vormen en kleuren.De constateringen van dit hoofdstuk hebben geleid tot het opstellen van de in hoofdstuk 8 genoemde objectgerichte criteria voor het buitengebied.

Rechtspraak bij dit artikel