Er zijn, zoals in de vorige paragrafen omschreven, verschillende
landschapstypen te onderscheiden. De bebouwing die zich in het
gebied voordoet, blijkt slechts in geringe mate verband te houden
met het landschapstype; de verschillen houden vooral verband met de
tijd waarin de bebouwing is opgericht. Voor de voorliggende
welstandsnota zijn met name de recente ontwikkelingen van belang
zijn. Ook daarvoor geldt dat zich in de Gelderse Vallei
vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan. Om die reden is de
bebouwing in objectcriteria ondergebracht, zoals
hallenhuisboerderij, bedrijfsbebouwing, agrarische bedrijfswoning en
recreatieterreinen.
In de periode van de jaren '80 tot heden hebben zich in grote delen
van de Gelderse Vallei ingrijpende veranderingen voorgedaan. Dat
betreft processen van verandering en schaalvergroting binnen de
agrarische sector. Dat gaat gepaard met een schaalvergroting van de
agrarische opstallen. Bovendien heeft de bio-industrie grote
ruimtelijke consequenties, door de grote stallen en de grote
aantallen.
Die processen hebben bovendien tot gevolg dat boerderijen
'overbodig' worden en ruimte gaan bieden aan andere niet-agrarische
activiteiten en wonen. Met name het wonen heeft een enorme vlucht
genomen. Men treft in de periode van de jaren '80 tot heden
hoofdzakelijk twee stromen of bouwstijlen in het buitengebied aan.
De eerste stroming tracht op een respectvolle manier om te gaan met
de historische bouwstijl van de hallenhuizen door de
hoofdkarakteristiek terug te brengen in de nieuwbouw. Hierbij is
echter niet langer sprake van woonhuis en bedrijfsgedeelte onder een
kap, maar van alleen wonen. Door verandering in de schaal zijn de
bouwwerken niet zo omvangrijk als de oorspronkelijke. Met het
toepassen van een forse kap (zadeldak met wolfseinde) met riet of
donkere pannen gaan de oorspronkelijke verhoudingen daarbij evenwel
verloren, waarmee veeleer een compact beeld ontstaat, dat als
storend kan worden ervaren. Dit wordt versterkt wanneer men flinke
aanbouwen of uitbouwen ook nog voorziet van een forse kap.
De tweede stroming probeert afstand te nemen van de historische
stijlen door het gebruik van contrasterende materialen en kleuren.
Hout wordt veel toegepast in lichte tot donkere kleuren (meestal wit
tot donkergroen, maar ook lichtgeel en zalmkleurige tinten), vooral
als accent in de puntgevel. Zo ontstaat een duidelijk verschil in de
opbouw met een rode gemetselde begane grond met donkere plint en een
houten puntgevel. De daken zijn in het algemeen zadeldaken en vaak
voorzien van dakkapellen met houten zijwangen. Ze zijn gedekt met
donkerbruine tot antracietkleurige pannen (donker geglazuurde pannen
komen ook voor; deze zijn zeer opvallend aanwezig). Soms ziet men
toch overeenkomsten met de jaren '30 stijl met grote oversteken van
de dakgoten met witte randen.
De nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing behoort eveneens tot de
tweede stroming, al speelt daar vooral de efficiency een rol. De
huidige agrarische bedrijfsvoering is vooral gebaat bij grote,
goedkope en goed te gebruiken ruimten. Dat uit zich in het gebruik
van damwandprofielen bij de gevels en golfplaten afdekkingen. Dit
wordt in vele situaties als ruimtelijk storend ervaren. Dat wordt
verminderd indien donkere tinten en profielen worden gebruikt en als
een duidelijke plint van metselwerk aanwezig is.
Door aanpassingen en toevoegingen varieert het huidige beeld van een
agrarisch bedrijf. Bijgebouwen of schuren zijn in de loop van de
tijd, door behoefte aan meer overkapte ruimte, achter of zelfs
rondom het hoofdgebouw geplaatst.Vaak is ook het hoofdgebouw
uitgebreid. Van kleine ingrepen in het verleden tot hedendaagse
uitbouwen of aanbouwen die door hun proporties de 'leesbaarheid' van
het gebouw aantasten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de
uitbouwen de verhoudingen en inhoud van een woonhuis krijgen. De
aanbouw is dan niet meer ondergeschikt te noemen, vooral als de
kapvorm dominant wordt.
De hoofdopzet van een agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw
(woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op
door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en
nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met
de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook
geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een
nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de 'rustende boer')
naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet.
Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange stallen en één of
meer werktuigbergingen of schuren. Het gaat voor het merendeel om
grote, eenvoudige, lange, rechthoekige constructies met een zadeldak
gedekt met donkergrijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn
gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in
halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een groene
damwandprofiel. Overwegend is sprake van een asymmetrisch zadeldak
en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen
vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een
plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn
gesitueerd afhankelijk van de diepte of de breedte van de kavels.
Bij smalle en diepe kavels (polderlandschap en
veenontginningslandschap) staan de meeste bijgebouwen met de
nokrichting evenwijdig aan de nokrichting van het hoofdgebouw. Bij
brede en ondiepe kavels (kampenlandschap en
heideontginningslandschap) kunnen de bijgebouwen haaks staan ten
opzichte van het hoofdgebouw.
De mate waarin zich nieuwbouwinitiatieven hebben voorgedaan
verschilt binnen de Gelderse Vallei. In algemene zin kan gesteld
worden dat in delen van met name de gemeenten Barneveld, Putten en
Nijkerk veel burgerwoningbouw is gerealiseerd, vooral in de laatste
tien jaren. Die initiatieven zorgen voor een zekere eenvormigheid
binnen het gebied. Bovendien zijn hier diverse recreatieterreinen
ontstaan met recreatiewoningen, bungalows en stacaravans in diverse
vormen en kleuren.De constateringen van dit hoofdstuk hebben geleid
tot het opstellen van de in hoofdstuk 8 genoemde objectgerichte
criteria voor het buitengebied.