Van oorsprong liggen in het gebied diverse landgoederen, die de
ontwikkeling van het landelijke gebied hebben beïnvloed. De
landgoederen hebben een rijke historie die terug kan gaan naar de
middeleeuwen. De bouwwerken bestaan uit een hoofdgebouw met daar
omheen verscheidende bijgebouwen. Bovendien maken veelvuldig
verscheidene boerderijen in de directe omgeving deel uit van het
landgoed.
Het hoofdgebouw van een landgoed heeft een prominente plaatsing op
de kavel. De hoofdbebouwing is veelal opgebouwd uit twee bouwlagen
met een kap evenwijdig aan de representatieve voorgevel. De gevels
zijn overwegend geometrisch opgebouwd, met een verticale geleding en
met een samenhangende massaopbouw.
Objectcriteria
Ruimtelijke structuur
- De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en
de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de
landschappelijke inrichting.
Plaatsing
- De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het
hoofdgebouw.
Massa en vorm
- Het bouwwerk kent een representatieve gevel die op de openbare
ruimte gericht is.
- De bebouwing wordt gekenmerkt door een rijzig karakter.
- Er worden enkelvoudige en samengestelde kappen toegepast.
Detaillering, kleur- en materiaalgebruik
- De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een verticale geleding en
horizontale verbanden.
- De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak)steen,
pleisterwerk, hout, dakpannen en riet.
- De hoofdkleuren van de gevels zijn stucwerk in gebroken wit of
grijs of gedempte (aard)kleuren.
- Binnen een dakvlak komen geen kleurverschillen voor.
- Er worden rijke detailleringen toegepast, zoals ornamenten en
geveldecoraties.
- Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd
op de hoofdmassa.
- Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van
het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.
Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de
gebiedsbeschrijving en -criteria.