Naar hoofdinhoud
1.. De leden van het algemeen bestuur worden benoemd voor een periode van vier jaar. 2.. Zij treden af op het tijdstip, waarop de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders afloopt. 3.. De colleges van burgemeester en wethouders wijzen binnen vier weken na de aanvang van de zittingsperiode van de nieuwe colleges van burgemeester en wethouders opnieuw de leden aan van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van de regeling opnieuw als lid worden aangewezen. 4.. De leden van het algemeen bestuur, aftredende ingevolge het bepaalde in het tweede lid, blijven als zodanig fungeren totdat door de colleges van burgemeester en wethouders opnieuw de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen. In de vergaderingen van het algemeen bestuur kunnen gedurende het in de vorige volzin bedoelde tijdvak geen besluiten worden genomen over het vaststellen van de begroting, het vaststellen van de rekening, alsmede over het wijzigen of opheffen van de regeling. 5.. Het verlies van de kwaliteit van burgemeester of wethouder binnen de betreffende deelnemende gemeente doet het lidmaatschap van het algemeen bestuur van rechtswege ophouden. 6.. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente binnen vier weken een nieuw lid aan. 7.. Van elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente die het aangaat, onverwijld kennis aan de voorzitter.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel