Naar hoofdinhoud
1. De plaats van de tijdelijke inrichting moet met inbegrip van de eventuele benodigde tuidraden en/of scheerlijnen zodanig zijn, dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor een snelle en veilige ontvluchting vanuit de inrichting naar een veilige plaats. 2. Vloeren moeten zodanig zijn aangebracht dat een stroef en gesloten vloeroppervlak ontstaat. 3. Alle kabels, leidingen en snoeren die op de grond liggen, moeten op zodanige wijze zijn bevestigd dat beschadiging, struikelen en/of vallen wordt voorkomen.

Rechtspraak bij dit artikel