Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Elektrische installaties

Onderdeel van Nadere regels voor het gebruik van (kermis)terreinen Noord-Beveland 2010

1. Elektrische installaties moeten voldoen aan de norm NEN 1010 en de nadere eisen van het plaatselijke energiebedrijf. 2. Aanleg, bevestiging en plaatsing van kabels, leidingen en snoeren moeten zodanig geschieden, dat het publiek er niet mee in aanraking kan komen, en er niemand over kan struikelen of vallen. 3. Schakelaars en zekeringkasten van elektrische installaties moeten onbereikbaar zijn voor publiek. 4. Kabels en snoeren moeten altijd volledig van de haspel zijn afgerold. 5. Elektrische verlichting moet zodanig zijn aangebracht dat er geen gevaar bestaat voor het ontstaan van brand. 6. In voor personen bestemde ruimte(n) waar onvoldoende daglicht binnentreedt, moet, met het oog op het veilig kunnen verlaten van die ruimten, tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte gemeten op vloerniveau minstens 10 lux bedraagt. 7. Een ruimte voor meer dan 50 personen heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088: 2002 en binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende een periode van ten minste 60 minuten voldoet aan de zichtbaarheidseisen. 8. In een ruimte als bedoeld in 6.3.7 is de verlichtingsinstallatie aangesloten op een voorziening van noodverlichting met een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. 9. Defecte lampen van vluchtrouteaanduiding en de noodverlichting moeten direct worden vervangen. 10. Een opstelplaats van een (nood)stroomaggregaat moet op een afstand van ten minste 5 m van de tijdelijke inrichting liggen. Deze voorwaarde geldt niet als het een blinde gevel betreft, die over een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van tenminste 30 minuten beschikt. 11. Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting is verboden.

Rechtspraak bij dit artikel