Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Technische voorschriften voor voertuigen en aanhangwagens

Onderdeel van Nadere regels voor het houden van optochten Noord-Beveland 2010

1. De mate van brandbaarheid van de toegepaste materialen is zodanig beperkt, dat de kans op brandvoortplanting voldoende klein is. Hieraan wordt voldaan indien het onderdeel: a onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064: 1991, inclusief wijzigingsblad A2: 2001; b een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065: 1991, inclusief wijzigingsblad A1: 1997, of c een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder b. 2. Materiaal toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een potentiële ontstekingsbron (verlichting, energiebron) is zodanig dat, ten gevolge van de in dat materiaal optredende temperatuur veroorzaakt door de potentiële ontstekingsbron, niet gemakkelijk brand kan ontstaan. 3. Energievoorzieningen (aggregaten, accu’s, elektra) zijn zodanig opgesteld en worden zodanig gebruikt dat deze niet gemakkelijk brand kunnen veroorzaken. 4. Er worden uitsluitend goedgekeurde technische installaties toegepast. 5. Voor aanleg van installaties (zoals elektrische installaties) worden erkende installateurs ingeschakeld. 6. Er wordt uitsluitend goedgekeurde apparatuur (KEMA-keur en dergelijke) toegepast. 7. Er zijn geen brandbare vloeistoffen of brandbare gassen aanwezig anders de brandstof in gesloten tanks van voertuigen (tractie) en aggregaten (energievoorziening). 8. Er wordt regelmatig gecontroleerd op eventuele brandstoflekkages. 9. De hoeveelheid toegepast of aanwezig brandbaar materiaal wordt zoveel mogelijk beperkt. 10. Er wordt geen open vuur toegepast. 11. Er worden regelmatig controles uitgevoerd gericht op het voorkomen van brandgevaarlijke situaties. 12. Het verrichten van brandgevaarlijke werkzaamheden vind niet plaats tijdens het evenement. 13. De deelnemers zijn geïnstrueerd over de maatregelen ten aanzien van het voorkomen van brand. 14. De afmetingen van de voertuigen en aanhangwagens (lengte, breedte, hoogte, draaicirkels) zijn afgestemd op de beschikbare ruimte op de route. 15. De voertuigen en aanhangwagens hebben geen scherpe uitstekende delen. 16. De wielen van voertuigen en aanhangwagens zijn afgeschermd. 17. De voertuigen en aanhangwagens zijn zodanig stabiel dat zij in voldoende mate eventuele negatieve invloeden op de stabiliteit kunnen weerstaan (zoals bij krachtige wind, bij lekke band of bij asbreuk) zodat omvallen of kantelen vrijwel uitgesloten is. 18. Voor personen in voertuigen en aanhangwagens zijn beschermingsmaatregelen getroffen om te voorkomen dat zij bekneld kunnen raken tussen bewegende onderdelen van de voertuigen en aanhangwagens. 19. Uitlaatgassen van verbrandingsmotoren (van voertuigen of aggregaten) worden zodanig afgevoerd dat personen in of op de voertuigen of aanhangwagens niet worden blootgesteld aan een opeenhoping van uitlaatgassen.

Rechtspraak bij dit artikel