1. Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vast op vijftig procent van de betreffende bijstandsnorm bij een gedraging uit de derde categorie.
2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een gedraging uit de derde categorie:
a. het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
b. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of scholing;
c. het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn, nakomen van de verplichting, zoals bedoeld zoals bedoel in artikel 9 eerste lid onderdeel c van de wet.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Gedragingen van de derde categorie
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012