Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5

Gedragingen van de vierde categorie

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2012

1. Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet vast op honderd procent van de betreffende bijstandsnorm bij een gedraging uit de vierde categorie. 2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een gedraging van de vierde categorie: a. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking; b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen; d. het zich misdragen tegenover een medewerker belast met de uitvoering van de wet, alsmede in dit kader vastgestelde regelgeving; e. het vernielen/beschadigen van eigendommen van een organisatie belast met de uitvoering van de wet, alsmede in dit kader vastgestelde regelgeving; f. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen behorende bij een werkervaringsplaats; g. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen gericht op directe arbeidsinschakeling via door de gemeente aangewezen organisatie; h. het door de jongere onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1 of artikel 55 van de wet, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43, lid 4 en 5 van de wet; i. het door de jongere niet naar vermogen trachten de mogelijkheden binnen ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken, gedurende de termijn genoemd in artikel 41, vierde lid van de wet; j. het door de jongere niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak, als bedoeld in artikel 44a van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel