Het college schort de bevoorschotting op indien:
bij het college het redelijke vermoeden rijst dat de ouder en of
de partner onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt
als gevolg waarvan hun recht op een tegemoetkoming of de hoogte
daarvan niet langer kan worden vastgesteld;
blijkt dat feitelijk geen gebruik (meer) gemaakt wordt van
kinderopvang;
door de ouder en of partner feitelijk geen gebruik (meer)
gemaakt wordt van een voorziening, gericht op
arbeidsinschakeling, indien dit een voorwaarde voor het
verkrijgen van de tegemoetkoming is;
de ouder en of partner de akte van cessie als bedoeld in artikel
8 intrekken.