Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in de artikelen 3a:3:2:1, 3a:3:3:1, 3a:3:4:1 en 3a:3:5:1 een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van het salaris, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage, als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.
De toelage bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten. Het derde lid van artikel 3a:3:3:1 is van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
Voor de ambtenaar, die een vaste toelage, als bedoeld in het tweede lid, is toegekend, komt een toelage, als bedoeld in de artikelen 3a:3:2:1, 3a:3:3:1, 3a:3:4:1 of 3a:3:5:1, al dan niet vermeerderd met de toelage, bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling. Het voorgaande lijdt uitzondering in het geval de vaste toelage minder bedraagt dan de aanspraak ingevolge genoemde artikelen.
Het college stelt voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere regels vast.