Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3a:3:10:2

Toekennen van een afbouwtoelage bij het beëindigen/ verminderen van diverse toelagen

Onderdeel van CAR/UWO

salaris:het bedrag van de schaal het welk aan de ambtenaar is toegekend, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; aflopende toelage:de aflopende toelage, bedoeld in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV; vaste toelage:de vaste toelage, bedoeld in 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV; ambtenaar:degene die aanspraak heeft op de aflopende dan wel de vaste toelage; uitkeringsperiode:de periode, waarover de aflopende, respectievelijk de vaste toelage zich uitstrekt; berekeningsbasis:het bedrag, dat de basis vormt voor de berekening van de aflopende respectievelijk vaste toelage. De berekeningsbasis van de toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan een toelage, als bedoeld in eerder genoemd artikel heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan evenbedoelde toelage en aan verhogingen van het salaris, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen. De uitkeringsperiode voor de toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, zonder wezenlijke onderbreking aan toelage heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de toelage is een maximum verbonden van drie jaar. De hoogte van de toelage wordt bepaald door de uitkeringsperiode voor de toelage in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande, dat hierdoor de ingevolge artikel 3 vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden.Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis. Indien de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende inkomstenvermindering intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de toelage op die datum aan. Treedt deze vermindering in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over maand waarin de inkomstenvermindering intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan toelage tot het gemiddelde maandbedrag dat hij hieraan over de twaalf maanden, voorafgaande aan vorenbedoelde inkomstenvermindering, heeft genoten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel