In deze regeling wordt verstaan onder:
ambtenaar:de ambtenaar bedoeld in artikel 1:1,
eerste lid, onderdeel a en artikel 1:2, onderdeel c, d, e,
g, h van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo,
alsmede de persoon die anders dan op basis van een
aanstelling of een arbeidsovereenkomst bij de gemeente
werkzaam is.
melder:de medewerker die een vermoeden van een
misstand heeft gemeld bij de vertrouwenspersoon of
leidinggevende.
leidinggevende:het afdelingshoofd van de
melder.
vertrouwenspersoon:de functionaris als bedoeld in
artikel 15:2:1:1 Regeling vertrouwenspersonen
integriteit;
meldpunt:de (landelijke) Commissie Klokkenluiders
Gemeenten.
een vermoeden van een misstand:een op redelijke
gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de
gemeentelijke organisatie waar de ambtenaar werkzaam is
omtrent:
een strafbaar feit;
een schending van regelgeving of beleidsregels;
het misleiden van justitie;
een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of
het milieu, of
het bewust achterhouden van informatie over deze
feiten
leidinggevende:het afdelingshoofd van de
medewerker.
Interne meldingsprocedure
De medewerker kan het vermoeden van een misstand melden bij
zijn leidinggevende, of, als het vermoeden van een misstand
betrekking heeft op zijn leidinggevende, bij zijn naast
hogere leidinggevenden, of bij de vertrouwenspersoon. In
bepaalde gevallen kan het ook rechtstreeks bij het (externe)
meldpunt.
Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen
van aangifte van een strafbaar feit onverlet.
De voormalig medewerker die een vermoeden van een misstand wil
melden doet dit binnen een periode van twaalf maanden na zijn
ontslag of beëindiging van zijn werkzaamheden bij de gemeente. Hij
kan alleen een melding van een vermoeden van een misstand doen als
hij in de hoedanigheid van medewerker kennis heeft gekregen van het
vermoeden. Voor de in dit artikel bedoelde medewerker zijn de
artikelen 4 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
De persoon bij wie een melding wordt gedaan maakt de
identiteit van de medewerker die de melding doet niet bekend
zonder instemming van de medewerker.
Diegenen die betrokken zijn bij de behandeling van een
melding gaan op behoorlijke en zorgvuldige wijze met de
identiteit van de melder om.
De leidinggevende of de vertrouwenspersoon stelt de
gemeentesecretaris onverwijld op de hoogte van een gemeld
vermoeden van een misstand in de gemeentelijke organisatie
en van de datum waarop de melding is ontvangen.
De gemeentesecretaris informeert en adviseert het college
over de melding.
Het college stelt onverwijld na de ontvangst van de
mededeling over de melding een objectief en onafhankelijk
onderzoek in.
Het college zendt aan de medewerker dan wel de
vertrouwenspersoon of de leidinggevende die een vermoeden
van een misstand heeft gemeld, een ontvangstbevestiging. De
ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een
misstand en het moment waarop de medewerker het vermoeden
aan de leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft
gemeld.
Het college informeert de persoon of personen op wie een
melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor
het onderzoeksbelang kan worden geschaad.
Indien de melding betrekking heeft op de gemeentesecretaris
wijst het college voor de uitvoering van diens taken een
vervanger aan.
Binnen twaalf weken na de melding stelt het college de
melder, eventueel via de vertrouwenspersoon, alsmede de
persoon of personen op wie de melding betrekking heeft,
schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van
het onderzoek, van zijn oordeel daarover en van de eventuele
gevolgen die het daaraan verbindt.
Indien niet binnen twaalf weken uitvoering kan worden
gegeven aan het eerste lid wordt de melder, eventueel via de
vertrouwenspersoon, alsmede de persoon of personen op wie de
melding betrekking heeft, daarvan schriftelijk en
gemotiveerd op de hoogte gesteld vóórdat deze termijn is
verlopen onder vermelding van de aanvullende termijn.
De vertrouwenspersoon rapporteert geanonimiseerd over de
aard en omvang van de gesprekken, meldingen en ondernomen
werkzaamheden aan het college.
De in lid 1 genoemde rapportage wordt opgenomen in het
jaarverslag integriteit, dat wordt vastgesteld door het
college en waarover de gemeenteraad en de ondernemingsraad
worden geïnformeerd. Het jaarverslag wordt openbaar
gemaakt.
Procedure bij het (externe) meldpunt
Het meldpunt heeft tot taak een door de medewerker gemeld vermoeden
van een misstand te onderzoeken en het college daarover te
adviseren.
De medewerker kan het vermoeden van een misstand binnen
redelijke termijn melden bij het meldpunt, indien
hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in
artikel 7;
geen besluitvorming plaatsvindt binnen een
redelijke termijn.
Het meldpunt maakt de identiteit van de medewerker niet
bekend zonder instemming van de medewerker.
Indien zwaarwegende belangen de toepassing van de interne procedure
in weg staan, kan de medewerker het vermoeden van een misstand
rechtstreeks melden bij het meldpunt.
Het meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een
vermoeden van een misstand aan de medewerker die het
vermoeden heeft gemeld.
Het meldpunt draagt er zorg voor dat het college op de
hoogte wordt gesteld van de melding bij het meldpunt.
Het college informeert de persoon of personen op wie een
melding betrekking heeft over de melding bij het meldpunt,
tenzij het onderzoeksbelang hierdoor kan worden
geschaad.
Indien het meldpunt dit voor de oefening van zijn taak
noodzakelijk acht, stelt het een onderzoek in.
Ten behoeve van het onderzoek genoemd in lid 4 van dit
artikel is het meldpunt bevoegd bij het college alle
inlichtingen in te winnen die het voor de vorming van zijn
advies nodig acht. Het college verschaft het meldpunt alle
inlichtingen.
Het meldpunt kan het onderzoek of gedeelten daarvan opdragen
aan een van de leden of aan een deskundige.
Wanneer de inhoud van bepaalde door het college verstrekte
informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend
ter kennisneming van het meldpunt dient te blijven, wordt
dit aan het meldpunt meegedeeld. Het meldpunt beveiligt
informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming
door onbevoegden.
Het meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien:
de misstand niet van voldoende gewicht is;
de melder niet valt onder de definitie van medewerker op
grond van deze regeling;
de medewerker de procedure bedoeld in artikel 2 niet heeft
gevolgd en artikel 10a niet van toepassing is, of
de medewerker de procedure bedoeld in artikel 2 heeft
gevolgd, maar de termijn bedoeld in artikel 3 nog niet is
verstreken.
de melding niet binnen redelijke termijn is geschied.
Indien de melding ontvankelijk is, legt het meldpunt binnen
twaalf weken zijn bevindingen neer in een advies aan het
college. Het meldpunt zendt een afschrift van het advies aan
de medewerker met inachtneming van het eventueel
vertrouwelijk karakter van de aan het meldpunt verstrekte
informatie.
Indien niet binnen twaalf weken een advies kan worden
gegeven wordt de melder en/of de vertrouwenspersoon alsmede
het college voordat deze termijn is verlopen daarvan
schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Daarbij
wordt de termijn aangegeven waarbinnen het advies als
bedoeld in het eerste lid gereed is.
Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming
van het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het
meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende
wettelijke bepalingen openbaar gemaakt op een wijze die het
meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich
hiertegen verzetten.
Het college stelt binnen twee weken na ontvangst van het
advies van het meldpunt de melder alsmede het meldpunt
schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt.
De melder van wie de identiteit niet bekend is gemaakt door
het meldpunt zal het college het standpunt via het meldpunt
doen toekomen.
Een van het advies afwijkend standpunt wordt
gemotiveerd.
Jaarlijks wordt door het meldpunt een verslag
opgemaakt.
In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met
inachtneming van de ter zake wettelijke bepalingen
gemeld:
het aantal en de aard van de meldingen van een
vermoeden van een misstand;
het aantal meldingen dat niet heeft geleid tot een
onderzoek;
het aantal onderzoeken dat het meldpunt heeft
verricht;
het aantal adviezen en de aard van de adviezen dat
het meldpunt heeft uitgebracht.
Dit jaarverslag wordt aan het college en de Ondernemingsraad
gestuurd en openbaar gemaakt.
Bescherming tegen gevolgen van de melding
De medewerker zal als gevolg van de melding van een
vermoeden van een misstand geen nadelige gevolgen
ondervinden voor zijn rechtspositie. Onder nadelige gevolgen
worden in ieder geval verstaan besluiten tot:
het verlenen van ongevraagd ontslag;
het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde
tijd;
het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde
tijd in een vaste aanstelling;
de opgelegde benoeming in een andere functie;
het treffen van disciplinaire maatregelen;
het onthouden van salarisverhoging, incidentele
beloning of toekenning van vergoedingen;
het onthouden van promotiekansen en
het afwijzen van een verlofaanvraag,
voor zover deze besluiten worden genomen vanwege de door de
medewerker gedane melding van een vermoeden van een
misstand.
Het college draagt er zorg voor dat de melder ook
anderszins bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige
gevolgen van de melding ondervindt.
Het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel geldt ook voor
de medewerker die te goeder trouw een vermoeden van een
misstand meldt in een andere organisatie dan die van de
gemeente, volgens een bij die organisatie geldende regeling.
De bescherming geldt alleen als de medewerker
uit hoofde van zijn functie met die andere
organisatie samenwerkt of heeft samengewerkt;
uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen
van de vermoede misstand;
het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn
leidinggevende heeft gemeld;
zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake
van deze melding met hem zijn gemaakt door het
college.
De vertrouwenspersoon geniet bescherming overeenkomstig het bepaalde
in artikel 16 lid 1 en 2 tegen benadeling als gevolg van de hem bij
deze regeling toebedeelde taken.