**1..** Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien
verstande dat in een groep:
in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf
kinderen aanwezig zijn;
in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste
zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht
kinderen in de leeftijd tot één jaar.
**2..** De houder deelt de ouder en het kind mee tot welke stamgroep het
kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag aan welke groep
zijn toegewezen.
**3..** Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten
toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is
in de groep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens
aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
**4..** Een kind maakt gedurende de week gebruik van ten hoogste twee
verschillende stamgroepruimtes.
**5..** Het vierde lid is niet van toepassing bij speciale activiteiten,
beschreven in het pedagogisch beleidsplan.
**6..** Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op kinderen
die gebruik maken van opvang op dagen die per week verschillen.
**7..** Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal
beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten
minste:
één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één
jaar;
één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één
tot twee jaar;
één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee
tot drie jaar;
één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie
tot vier jaar.
**8..** Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het zevende lid, bij een
gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van de voor de
aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen,
waarbij aan het eind van de berekening naar boven kan worden
afgerond.
**9..** Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het
eerste lid niet van toepassing.
**10..** Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren
opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het zevende, achtste
of negende lid, voor ten hoogste drie uren per dag, met uitzondering
van de uren tussen 9.30 en 12.30 uur en 15.00 en 16.30 uur, minder
beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de
helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het
zevende of achtste lid, wordt ingezet. In de periode vóór 9.30 uur
en na 16.30 uur kan de in de eerste volzin bedoelde afwijkende inzet
van beroepskrachten ten hoogste anderhalf uur aaneengesloten
bedragen en in de (pauze)periode tussen 12.30 uur en 15.00 uur, ten
hoogste twee uren aaneengesloten en niet langer dan de duur van de
middagpauze.
**11..** Indien op grond van het tiende lid slechts één beroepskracht in het
kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze
beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum
aanwezig te zijn.
**12..** Indien op grond van het zevende of achtste lid slechts één
beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de
ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in
geval van calamiteiten te zijn geregeld.
Paragraaf 2.
Artikel 3.
Dagopvang
Onderdeel van Verordening kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen Delft 2012