Zoodra een ambtenaar op grond van art. 6 sub c een aanvraag om pensioen heeft ingediend, wordt naar de ongeschiktheid als gevolg van ziekte of lichaamsgebreken een onderzoek ingesteld door den door Burgemeester en Wethouders aangewezen geneeskundige, die, indien bij de aanvraag door den ambtenaar zijnerzijds een geneeskundige is aangewezen, eerst na gehouden overleg met dezen zijn eindoordeel uitspreekt.
De ambtenaar is gehouden zich, wat het geneeskundig onderzoek en de behandeling betreft, aan de voorschriften van Burgemeester en Wethouders te onderwerpen, terwijl zijn aanspraak op pensioen, bedoeld in art. 6 sub c, vervalt, indien hij de naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders noodzakelijke medewerking tot zijn herstel niet heeft verleend.