Zoodra aan een ambtenaar, op wien de bepalingen der Ongevallenwet 1901 niet van toepassing zijn, een ongeval, als in art. 6 sub d omschreven, overkomt, is het hoofd der afdeeling of instelling, waarbij hij werkzaam is, verplicht daarvan onverwijld aan Burgemeester en Wethouders mededeeling te doen.
De getroffene zelf is gehouden daarvan binnen 14 dagen kennis te geven of te doen geven aan Burgemeester en Wethouders, en zich, wat het geneeskundig onderzoek en de behandeling betreft, aan hun voorschriften te onderwerpen.
De getroffene heeft het recht binnen 14 dagen na de kennisgeving een geneeskundige aan te wijzen, met wien een of meer geneeskundigen, door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen, het onderzoek zullen instellen.
Indien de getroffene aan de hem bij het tweede lid gestelde voorwaarden niet heeft voldaan, of de naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders noodzakelijke medewerking tot zijn herstel niet heeft verleend, vervalt de aanspraak op pensioen, bedoeld in art. 6 sub d.
Deze bepaling is niet van toepassing op het verzuim van kennisgeving binnen 14 dagen, indien naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gebleken is, dat de getroffene physiek buiten staat was om van het ongeval binnen 14 dagen aan Burgemeester en Wethouders kennis te geven of te doen geven, of dat het ongeval niet binnen 14 dagen als zoodanig kon worden herkend.
Bij de aanvraag om pensioen, bedoeld in art. 6 sub d, wordt zoo noodig een hernieuwd onderzoek ingesteld. De in het 2e, 3e en 4e lid gestelde regelen zijn hierbij van toepassing, waarbij de in het 3e lid bedoelde termijn van 14 dagen begint te loopen van de mededeeling aan den getroffene van het besluit tot het instellen van een hernieuwd onderzoek.