**1..** Teneinde bij het eindigen of vervallen van deze overeenkomst eventueel bestaan blijkende vermindering van de bedrijfswaarde der sporen en spoorwegwerken te kunnen bestrijden en om te bevorderen dat op elk boekjaar een zoveel mogelijk gelijkmatig deel zal drukken van de lasten, welke voortvloeien uit het onderhoud en de vernieuwing van de sporen en spoorwegwerken, wordt met ingang van 41 een afschrijvingsrekening aangelegd. N.S. voert de administratie van de afschrijvingsrekening en zendt haar jaarlijks en uiterlijk op 1 April, volgende op het voorafgegane boekjaar aan de Gemeente ter beoordeeling, zulks voor de jaren 1941 tot en met 1946 binnen drie maanden na het sluiten van deze overeenkomst. Partijen verbinden zich wederzijds alle voor de opstelling en voor de beoordeling van de afschrijvingsrekening nodig geachte inlichtingen te verstrekken en inzage te geven van alle op de afschrijvingsrekening betrekking hebbende bescheiden.
**2..** Behoudens het bepaalde in het volgende lid, wordt jaarlijks ten bate van de afschrijvingsrekening geboekt:
Een bedrag van ƒ 40.000,–, betrekking hebbende op de onderbouw der sporen, zonder de tot die onderbouw behorende kunstwerken. Genoemd bedrag wordt in onderling overleg vermeerderd, indien en zodra de onderbouw, zonder de kunstwerken, in belangrijke mate wordt uitgebreid en verminderd, indien een omvangrijk deel van de onderbouw, zonder de kunstwerken, te niet gaat of wel niet meer als zodanig dienst doet.
Een bedrag gelijk aan zes procent (6 %) van de som der hierna onder 1. en 2. genoemde bedragen, verminderd met de hierna onder 3. genoemde bedragen. De bedoelde bedragen zijn de volgende:
De kosten van stichting van de op 41 aanwezige, tot de onderbouw der sporen behorende kunstwerken, zulks echter met uitzondering van de bruggen, die behalve voor spoorwegverkeer ook dienen voor gewoon verkeer. Het bedrag dezer kosten wordt vastgesteld op ƒ 109.300,–.
De bedragen, die in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, hetzij op grond van het vijftiende lid van artikel 8 ten laste van de Gemeente zijn gekomen en niet op grond van het zestiende lid van genoemd artikel ten laste van de exploitatierekening worden geboekt, hetzij bij de verrekening bedoeld in het acht en twintigste lid van artikel 8, ten laste van de Gemeente zijn gekomen of gebleven, een en ander voor zover deze bedragen betrekking hebben op de uitbreiding van bestaande of de stichting van nieuwe, tot de onderbouw der sporen behorende kunstwerken (bruggen als onder 1 bedoeld uitgezonderd).
De in een der onder 1. en 2. bedoelde bedragen begrepen kosten van stichting van kunstwerken, die in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, zijn te niet gegaan of althans op de eerste Januari van het bedoelde boekjaar niet meer tot de onderbouw der sporen behoren.
Een bedrag gelijk aan negen en een half procent (9½ %) van de som der hierna onder 1. en 2. genoemde bedragen, verminderd met het hierna onder 3. genoemde bedrag. De bedoelde bedragen zijn de volgende:
De som van ƒ 3.910.688,52, zijnde deze som gelijk aan het in het zesde lid van artikel 3 genoemde bedrag van ƒ 3.875.402,59, vermeerderd met de waarde van de bij de uitvoering der in het eerste lid van artikel 4 omschreven werken geleverde en verwerkte bovenbouwmaterialen, ten bedrage van ƒ 39.887,24 in totaal, en verminderd met de waarde van de bij de uitvoering dezer werken vrijgekomen bovenbouwmaterialen, ten bedrage van ƒ 4.601,31 in totaal.
De in het tiende lid van artikel 8 bedoelde waard van geleverde en in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, verwerkte bovenbouwmaterialen.
De in het twaalfde lid van artikel 8 bedoelde waarde van in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, vrijgekomen bovenbouwmaterialen.
Een bedrag gelijk aan negen procent (9 %) van de som der hierna onder 1. en 2. genoemde bedragen, verminderd met het hierna onder 3. genoemde bedrag. De bedoelde bedragen zijn de volgende:
Het in het zesde lid van artikel 3 genoemde bedrag van ƒ 79.892,–.
De bedragen, die in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, op grond van het negende lid van artikel 8 ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, zijn gekomen of wel op grond van het acht en twintigste lid van artikel 8 alsnog ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, zijn gekomen, een en ander voor zover deze bedragen betrekking hebben op de uitbreiding van bestaande of de stichting van nieuwe spoorwegwerken.
De in het onder 1 bedoelde bedrag begrepen waarde of de in een der onder 2 bedoelde bedragen begrepen stichtingskosten van spoorwegwerken, die in enig jaar, voorafgaande aan het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt, zijn te niet gegaan.
Vier procent (4 %) rente, berekend over het batig saldo der afschrijvingsrekening aan het einde van het vorige boekjaar.
**3..** Opdat de afschrijvingsrekening te allen tijde aan het gestelde doel zal beantwoorden, wordt ten aanzien der ten bate van de afschrijvingsrekening te boeken bedragen nog het volgende bepaald:
Het op grond van het in het tweede lid onder a. bepaalde ten bate van de afschrijvingsrekening te boeken bedrag en de in het tweede lid onder b., c. en d. genoemde percentages worden voor de jaren 1942 en volgende, voor elk jaar afzonderlijk, verhoogd of verlaagd door vermenigvuldiging met een breuk, waarvan de noemer aangeeft het standaarduurtarief (ƒ 0.96) dat op 41 bij N.S. gold voor tot haar te Rotterdam dienstdoend personeel behorende ploegwerkers in vaste dienst en de teller het standaarduurtarief voor ploegwerkers, als bedoeld, dat geldt op 1 Januari van het jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening plaats vindt.
Indien te eniger tijd tengevolge van wijziging in de administratie of in de organisatie van N.S. het standaarduurtarief voor ploegwerkers niet meer als vergelijkingsbasis kan worden aangehouden, zal door partijen in onderling overleg een nieuwe basis van vergelijking worden gekozen en vastgesteld.
Mocht in enig jaar blijken, dat het saldo van de afschrijvingsrekening aan het einde van dat jaar vermoedelijk niet voldoende zal zijn ter bestrijding van de in het komende jaar te verwachten uitgaven of wel dat het saldo belangrijk groter zal zijn dan door partijen nodig geacht wordt, dan zullen partijen in onderling overleg, hetzij tijdelijk, hetzij voor de gehele verdere duur van deze overeenkomst, een gewijzigde regeling treffen ten opzichte van de ten bate van de afschrijvingsrekening te boeken bedragen.
**4..** Behoudens het bepaalde in het volgende lid, worden ten laste van de afschrijvingsrekening geboekt:
de kosten van uitvoering van de werken, omschreven in het eerste lid van artikel 7 onder a., c., d. en e. en in het tweede lid van dat artikel, zulks met dien verstande, dat de kosten van het onderhouden en vernieuwen van bruggen, die behalve voor spoorwegverkeer ook dienen voor gewoon verkeer, niet worden meegerekend, dat voor zover betreft het onder d. omschreven werk de kosten slechts ten laste van de afschrijvingsrekening worden geboekt, voor zoveel zij meer bedragen dan zij bedragen zouden hebben, indien het betreffende spoor niet aanwezig was en dat rekening moet worden gehouden met het gestelde in het zes en twintigste lid van artikel 8 en in het vijfde lid van artikel 15.
de kosten van onderhoud en vernieuwing van zijsporen, als bedoeld in artikel 13;een en ander met inbegrip van de kosten van de nodige leiding en administratie. Bij de bepaling van de waarde van geleverde en verwerkte onderscheidenlijk vrijgekomen materialen, behorende tot de bovenbouw of tot de beveiligingsinrichtingen, vindt het gestelde in het tiende tot en met het veertiende lid van artikel 8 toepassing.
**5..** In enig jaar mag ten hoogste zoveel ten laste van de afschrijvingsrekening worden geboekt, dat aan het einde van het betreffende jaar het saldo van de afschrijvingsrekening niet minder bedraagt dan de som van:
het een vierde deel van hetgeen in de voorafgaande jaren en in het betreffende jaar op grond van het in het tweede lid onder a. gestelde ten bate van de afschrijvingsrekening is geboekt;
het bedrag dat verkregen wordt door voor elk jaar, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening heeft plaats gevonden, één procent (1 %) te berekenen van de bedragen, waarover de in het tweede lid onder b., c. en d. genoemde percentages worden berekend;
een en ander verhoogd met vier procent (4 %) rente ’s jaars, voor elk bedrag afzonderlijk, gerekend van de eerste dag van het jaar volgende op dat, waarin de boeking ten bate van de afschrijvingsrekening voor het eerst plaats vond.
Indien in enig jaar de som van de in het vierde lid omschreven uitgaven de in de vorige zin bedoelde som overtreft, wordt het verschil geboekt ten laste van de in artikel 20 bedoelde exploitatierekening.
**6..** De ten bate van de afschrijvingsrekening geboekte bedragen komen ten goede aan beide partijen, ieder tot het totaal der bedragen, die zij heeft uitgegeven en die ten laste van de afschrijvingsrekening zijn geboekt.
**7..** Bij het eindigen of vervallen van deze overeenkomst komt het batig saldo van de afschrijvingsrekening ten bate van beide partijen, ieder voor de helft.
Artikel 21.