Van de kapitalen, waarvan vier procent (4 %) rente ten laste van de in artikel 20 bedoelde, gemeenschappelijke exploitatierekening wordt gebracht, en van de vermeerderingen en verminderingen, die zij ondergaan, worden door elk der partijen staten bijgehouden, in voege als hieronder is aangegeven.
Staat van de kapitalen, waarvan de rente ten goede komt aan de Gemeente. Op deze staat worden geboekt:
Een bedrag van ƒ 2.920.155,–, zijnde het kapitaal, dat door de Gemeente tot en met 40 is besteed wegens:
het aankopen, onderscheidenlijk onteigenen, van:
de gronden, waarop zich rangeeremplacementen met toeleidende sporen bevinden,
de gronden, welke door de Gemeente, in overleg met N.S., worden gereserveerd voor de aanleg van rangeeremplacementen en van toeleidende sporen,een en ander voor zoover deze gronden niet tot het openbaar terrein behoren;
Het ophogen van de onder I. bedoelde gronden en het maken van de werken, die overigens door de Gemeente zijn uitgevoerd ten behoeve van de onderbouw der op die gronden aanwezige sporen, gaande de rente van dit kapitaal in op 41.
De bedragen, waarmede het onder 1. bedoelde kapitaal eventueel wordt vermeerderd of verminderd op grond van het achttiende lid van artikel 8, gaande de vermeerdering of vermindering van de aan de Gemeente ten goede komende rente in op de datum, waarop volgens genoemd achttiende lid de kapitaalsvermeerdering of -vermindering plaats vindt.
De bedragen, waarmede het onder 1. bedoelde kapitaal eventueel wordt vermeerderd op grond van het acht en twintigste lid van artikel 8, gaande de rentevermeerdering in op de dag, volgende op die, waarop de in genoemd lid bedoelde verrekening tussen de Gemeente en N.S. plaats vindt.
Een bedrag van ƒ 21.209,55, zijnde de ten laste van de Gemeente komende helft van het verschil tussen de kosten en de baten van de in het derde lid van artikel 4 bedoelde werken, gaande de rente van dit bedrag in op 1 Januari 1941.
De ten laste van de Gemeente blijvende helft van de in het zevende lid van artikel 8 bedoelde meerdere kosten van aanleg, verhoogd met tien procent (10 %) voor directie en toezicht en met eventueel op de uitvoering drukkende belastingen, gaande de rente daarvan in op de dag, volgende op die, waarop de andere helft door N.S. aan de Gemeente wordt vergoed.
De op grond van het negende of het acht en twintigste lid van artikel 8 door de Gemeente aan N.S. te vergoeden helft van de kosten van uitvoering, verhoogd met tien procent (10 %) voor directie en toezicht en met eventueel op de uitvoering drukkende belastingen, en voor wat het negende lid betreft bovendien verhoogd met de som, die de Gemeente aan N.S. heeft betaald als vergoeding wegens rentederving, gaande de rente daarvan in op de dag, volgende op die, waarop de betaling aan N.S. of wel de verrekening tussen de Gemeente en N.S. plaats vindt.
De ten bate van de Gemeente komende helft van de waarde van vrijkomende materialen, als bedoeld in het twaalfde lid van artikel 8, wordende de aan de Gemeente ten goede komende rente deswege verminderd op de dag, volgende op die, waarop de helft dier waarde ter beschikking van de Gemeente wordt gesteld.
De op grond van het zestiende lid van artikel 8 vastgestelde en niet voor boeking ten laste van de exploitatierekening in aanmerking komende bedragen, verhoogd met een vergoeding wegens rentederving, ten bedrage van vier procent (4 %), gerekend van de dag der betaling door de Gemeente tot en met de dag, waarop de in genoemd lid bedoelde vaststelling plaats vindt, gaande de rente daarvan in op de dag, volgende op die, waarop de evenbedoelde vaststelling plaats vindt.
Het eventueel op grond van een regeling, als bedoeld in het negen en twintigste lid van artikel 8, ten laste van de Gemeente komende deel der kosten van uitvoering, gaande de rente daarvan in op een door de Gemeente en N.S. bij het aangaan van de regeling overeen te komen tijdstip.
Staat van de kapitalen waarvan de rente ten goede komt aan N.S. Op deze staat worden geboekt:
Het in het zesde lid van artikel 3 genoemde bedrag van ƒ 3.955.294,59, gaande de rente van dit bedrag in op 1 Januari 1941.
Een bedrag van ƒ 21.209,55, zijnde de ten laste van N.S. blijvende helft van het verschil tussen de kosten en de baten van de in het derde lid van artikel 4 bedoelde werken, gaande de rente van dit bedrag in op 1 Januari 1941.
De ten laste van N.S. komende helft van de in het zevende lid van artikel 8 bedoelde meerdere kosten van aanleg, verhoogd met tien procent (10 %) voor directie en toezicht en met eventueel op de uitvoering drukkende belastingen, gaande de rente daarvan in op de dag, volgende op die, waarop de betaling aan de Gemeente plaats vindt.
De op grond van het negende of het acht en twintigste lid van artikel 8 ten laste van N.S. blijvende, onderscheidenlijk komende helft van de kosten van uitvoering, verhoogd met tien procent (10 %) voor directie en toezicht en met eventueel op de uitvoering drukkende belastingen en voor wat het negende lid betreft bovendien verhoogd met een bedrag gelijk aan de som, die de Gemeente aan N.S. heeft betaald als vergoeding wegens rentederving, gaande de rente daarvan in op de dag, volgende op die, waarop de betaling van de andere helft door de Gemeente aan N.S. of wel de verrekening tussen de Gemeente en N.S. plaats vindt.
De ten bate van N.S. blijvende helft van de waarde van vrijkomende materialen, als bedoeld in het twaalfde lid van artikel 8, wordende de aan N.S. ten goede komende rente deswege verminderd op de dag, volgende op die, waarop de andere helft dier waarde ter beschikking van de Gemeente wordt gesteld.
Het eventueel op grond van een regeling, als bedoeld in het negen en twintigste lid van artikel 8, ten laste van N.S. komende deel der kosten van uitvoering, gaande de rente daarvan in op een door de Gemeente en N.S. bij het aangaan van de regeling overeen te komen tijdstip.
Artikel 22.