Onder diensttijd wordt verstaan de tijd:
welke de ambtenaar of arbeidscontractant in werkelijke dienst heeft doorgebracht:
in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder ten deze mede worden begrepen de N.V. Nederlandse Spoorwegen, de v.m. N.V. ‘Artillerie-inrichtingen’ en de voormalige Rotterdamsche Electrische Tramweg-Maatschappij;
in een betrekking als bedoeld in
artikel 4, lid 1, van de Pensioenwet 1922,
de artikelen B2, B3 of U2 van de pensioenwet
artikel 2, eerste en derde lid, van de WPA.
in burgerlijke dienst bij de overheid in het land de Nederlandse Antillen, bij de overheid in het voormalige land Suriname tot 25 november 1975, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en - tot 27 december 1949 - bij de voormalige Nederlands-Indische overheid, waaronder ten deze mede worden begrepen de voormalige Indische Pensioenfondsen;
in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder 3 genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voorzover zulks de belanghebbende onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst was geweest;
tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voorzover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
in Nederlandse militaire of daarmede voor de toepassing van het Ambtenarenreglement gelijkgestelde dienst, waaronder begrepen dienst bij het voormalige K.N.I.L., bij de troepen in Suriname tot 25 november 1975 en bij de troepen in de Nederlandse Antille
als volontair;
waarover rechtsherstel is verleend, in een der onder a genoemde betrekkingen.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Regeling voor het toekennen van een gratificatie bij ambtsjubilea aan het personeel in dienst van de gemeente