Indien een instelling wordt opgeheven, dient het bestuur hiervan terstond schriftelijk kennis te geven aan het college.
De liquidatiebalans, alsmede een subsidieverantwoording dienen binnen een door het
college te bepalen termijn te worden ingediend.
Aan de hand van de liquidatiebalans en de subsidieverantwoording wordt de subsidie voor het lopende subsidiejaar vastgesteld.
Voor zover niet is voldaan aan de overeengekomen activiteiten/prestaties, zullen reeds betaalde voorschotten verrekend en teruggevorderd worden.
De opheffing van de instelling dient plaats te vinden overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Het college kan zowel het bestuur van de instelling als de bestuursleden ieder afzonderlijk aansprakelijk stellen voor terugbetaling van het door de instelling ontvangen voorschot indien:
een gehele of gedeeltelijke verplichting tot terugbetaling ontstaat en
de instelling aan deze verplichting tot terugbetaling niet kan of niet wil voldoen en
c.de verplichting tot terugbetaling is ontstaan door een handelen of nalaten in strijd met
de subsidievoorwaarden of enige wettelijke bepaling.