Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 Apv,
trekt de burgemeester de vergunning in:
indien ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zondanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van het horecabedrijf op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving nadelig wordt beïnvloed;
indien zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde;
niet langer wordt voldaan aan het gestelde in artikel 8 lid 2 a en b lid 3 van de Drank- en Horecawet;
De burgemeester kan de vergunning intrekken indien,
de leidinggevende(n) van een inrichting toestaat(n) dan wel gedoogt(en) dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
sprake is van een gewijzigde exploitatie (aard en vorm van exploitatie) waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
de leidinggevende(n) in strijd handelt(en) met het bij of krachtens artikel 2:29 (sluitingsuren) bepaalde;
de aan de vergunning verbonden voorwaarden en beperkingen niet zijn of worden nagekomen dan wel anderszins in strijd met wettelijke voorschriften wordt of is gehandeld;
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8
Artikel 2:28c
Intrekkingsgronden
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING SITTARD-GELEEN