Voor woningzoekenden die beschikken over een
urgentieverklaring bemiddelen burgemeester en wethouders, na
afloop van de in artikel 2.5.2, lid 2 sub c., bedoelde
termijn, bij eigenaren van woonruimte, opdat aan hen een
overeenkomstig paragraaf 2.4 passende en overeenkomstig
artikel 2.5.2, lid 2 sub b., nader omschreven woonruimte
wordt aangeboden.
In afwijking op het gestelde in lid 1 bemiddelen
burgemeester en wethouders ook voor huishoudens die als
gevolg van een calamiteit onvrijwillig dakloos zijn
geworden, zonder de termijn als bedoeld in artikel 2.5.2,
lid 2 sub c. af te wachten.
Het gestelde in lid 1 geldt niet voor woningzoekenden die op
grond van stadsvernieuwing over een urgentieverklaring
beschikken. Deze woningzoekenden worden uitsluitend
bemiddeld indien men een nieuwbouw huur- of koopwoning in de
eigen wijk wil betrekken. Deze bemiddeling treedt in werking
zonder dat de woningzoekende zelfstandig dient te reageren
op krachtens artikel 2.6.4. aangeboden woonruimte.
Burgemeester en wethouders geven deze bemiddeling nader vorm
in het in paragraaf 2.6 beschreven voordrachtstelsel en/of
in de in artikel 2.7.1 bedoelde overeenkomsten met
eigenaren.