Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › TITEL 3

Artikel 9.

Vermogen

Onderdeel van Uitvoeringsregeling subsidievoorwaarden Gemeentelijke Gezondheidsdienst 2004

1.. Het bestuursorgaan kan een door de subsidieontvanger aangehouden bestemmingsreserve geheel of gedeeltelijk tot het vermogen van de subsidieontvanger rekenen, indien de hoogte of de aangegeven bestemming van de reserve naar het oordeel van het bestuursorgaan niet past in het doel van de verlening van de betreffende subsidie. 2.. In het geval er sprake is van meerdere subsidiestromen voor hetzelfde doel of dezelfde activiteit, waarbij het bestuursorgaan niet de hoofdfinancier is, worden de mutaties in het vermogen, de bestemmingsreserves en de voorzieningen evenredig toegerekend aan de verschillende inkomstenbronnen, tenzij deze mutaties direct aan de verschillende inkomstenbronnen kunnen worden toegerekend. 3.. Toevoeging van ontvangen subsidiegelden aan het vermogen van een subsidieontvanger bedragen, na eventuele correcties op grond van het eerste lid, in enig jaar niet meer dan tien procent van de over dat jaar toegekende subsidie of som van subsidies, verleend door de gemeente Rotterdam. 4.. Het bestuursorgaan kan een subsidie over jaar x lager vaststellen, als blijkt dat het vermogen en de bestemmingsreserves tezamen aan het einde van het jaar voorafgaand aan jaar x, meer bedragen dan dertig procent van de subsidie of som van subsidies die aan het bestuursorgaan werd aangevraagd. 5.. Indien het vermogen van een subsidieontvanger in enig jaar meer bedraagt dan veertig procent van de in dat jaar ontvangen subsidie of som van subsidies, verleend door de gemeente Rotterdam, dan kan verrekening van het meerdere plaatsvinden. 6.. Bij overschrijding van het gestelde in het derde lid kan het bestuursorgaan het bedrag voortvloeiende uit de overschreden norm betrekken in de subsidievaststelling. 7.. Indien het maximum vermogen conform het derde lid lager is dan tienduizend euro wordt het maximum vastgesteld op tienduizend euro.

Rechtspraak bij dit artikel